Levensloop van een Zaanse orgelbouwer

In 1903, bijna een eeuw geleden begon Hendrik Wichert Flentrop een Pianohandel met een werkplaats voor reparaties aan Piano's en orgels.
Door zijn zoon Dirk Andries werd dit bedrijf in 1940 niet alleen voortgezet, maar aan hem heeft Flentrop Orgelbouw nu
- bijna een eeuw nadat de vader het bedrijf oprichtte - een wereldwijde reputatie op het
gebied van het ambachtelijk gemaakte orgel te danken.
Dat op de lange weg naar succes de Zaan hierbij
ook een inspirerende rol gespeeld heeft, laat ik ter
beoordeling aan de lezer over.
Het was overigens wel mijn vertrekpunt voor een aantal gesprekken met de nu 91 jarige heer Flentrop,
waarbij ik moest beloven er geen 'opschepperig' verhaal van te maken.



DE EEUW VAN DE ZOON.

Ik werd geboren op 1 mei in 1910 en onze huisarts dokter Pelt schijnt tegen mijn moeder gezegd te hebben "dat wordt een overtuigde rooie".
Het gesprek gaat over de eerste herinneringen van heel lang geleden die toch zijn bijgebleven.
"Toen de Titanic verging was ik twee jaar, mijn ouders waren er trots op dat ik 'tietaniek' kon zeggen.
Was er visite dan moest ik opdraven om 'tietaniek' te zeggen. Een keer wilde ik niet en moest ik voor straf naar bed.
Ik was natuurlijk kwaad en daardoor is me dat voorval bijgebleven. Had ik braaf mijn lesje opgezegd, dan zou ik het nu niet meer geweten hebben, denk ik.
De enorme tragiek van die ramp besefte je als kleuter natuurlijk niet".

"De afkondiging van de mobilisatie voor de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918 herinner ik mij ook.
Mijn vader kwam boven en vertelde dat, ik stond voor het raam en kon de Westzijde inkijken en zag hoe de sfeer op straat veranderde,
mensen kwamen naar buiten en praatten met elkaar, je voelde de spanning.
Aan het eind, ik was toen acht jaar kwam er gebrek aan alles en veel kon je alleen tegen het inleveren van bonnen krijgen.
Banketbakker Becker in de Westzijde wist nog wel iets smakelijks te bereiden en die maaltijden moest ik ophalen.
Ik had er een hekel aan om in de rij te moeten staan, ook weer zo'n kleine ergernis die me bijgebleven is".

Doorpratend komen we op Geert Mak's 'De eeuw van mijn vader' en de heer Flentrop realiseert zich dat er toch veel aan hem voorbij is gegaan.
De dingen die je niet zag, maar wel had kunnen weten. Hij geeft een voorbeeld: ''We hadden familie in de Oostzijde, een oom van mijn vader,
met een klein kruidenierswinkelge annex petroleumhandel, daar word je niet rijk van.
Die oom overleed in 1916 tijdens de watersnood, de begrafenis ging per boot,
kist in de voorste roeiboot en de familie in boog er achter aan.
Ze hadden 7 kinderen, 3 meisjes bleven thuis, een in de huishouding, de tweede was actief voor de kerk in een tehuis voor bejaarden
op de Bloemgracht en de derde werkte bij de plaatjesafdeling van Verkade, geen riante baan dus.
Het enige geld dat binnen kwam was van die plaatjesafdeling.
Toch had ik nooit het idee dat er armoede heerste, het was er altijd gezellig en er was altijd een koekje bij de thee."



DE ZAAN.

We woonden in de Westzijde naast de Doopsgezinde kerk en aan de Zaan.
Na ons kwam daar het I]zerhuis van de Fa. Huisman, dat daar een hele tijd gezeten heeft.
Ons Zaanerf had een steiger waaraan een groot vlot lag, daar heb ik vele uren op doorgebracht met nietsdoen.
Mijn gehoor moet daardoor wel goed ontwikkeld zijn, want als we binnen aan tafel zaten te eten,
kon ik aan het geluid van de motor horen wie er voorbij voer".
De Zaan werd druk bevaren en hoewel de dieselmotor al z'n intrede had gedaan,
was er onder de beurtvaarders ten dele nog sprake van zeilvaart.
Behalve beurtvaart had je ook transport via grotere schepen met materialen en grondstoffen voor de fabrieken langs de hele Zaan,
zoals rijst en cacao, overgeladen uit zeeschepen op de Voorzaan.
Dan was er de Alkmaar Pakket met een geregelde dienst op Alkmaar en een aantal aanlegplaatsen onderweg.
Voor je vervoer kon je kiezen tussen de trein of de boot, waarbij dat laatste vooral zomers een aan trekkelijk alternatief bood.
De overkant, de Oostzijde was een andere wereld ... ver weg.
Je had eerst de verffabriek van Pieter Schoen en dan tot de hoogte van Westzijde 78 een stuk of wat villa's,
daarna nog een kleine verffabriek, Albert Heijn weet ik niet, maar wel diverse rijstfabrieken, later veembedrijven ".



DE STOOMMACHINE EN DE AUTO.

We vervolgen met Flentrops eerste kennismaking met stoom als energiebron.
Die dateert uit 1925, als hij samen met een vriendje oog in oog staat met de stoommachine van de Meufa,
de grote meubelfabriek bij de gasfabriek ,van Zaandam in de Westzijde.
Zijn verhaal doet me onwillekeurig denken aan de stoomwasserij van het Openluchtmuseum in Enkhuizen;
'Van de stoommachine liepen twee assen de fabriek in en via drijfriemen werden de houtbewerkingsmachines in beweging gebracht.
Ze maakten daar degelijke, maar foeilelijke meubels van mooi eikenhout.
De vrachtauto's - dumpauto's uit de le Wereldoorlog (Nico Hoogwout) met massieve banden - die van de fabriek naar het station heen en weer reden,
waren in die tijd een vertrouwd beeld. Daarbij herinner ik me ook de 6-wielige autobussen van de firma Wordrager.
Ik had toen al les van Cor Kee en zondags mocht ik mee naar Amsterdam waar hij de dienst begeleidde in de ronde Lutherse kerk,
toen een deftige kerk voor de 'betere stand'.
Die dienst begon pas om 11 uur en we waren wel eens te vroeg en liepen dan een stuk langs het Singel,
waar je toen helemaal geen auto's zag. Stel je voor een gracht zonder geparkeerde auto's!
Door de week zag je overal nog veel 'paard en wagen', bierbrouwer Heineken heeft het lang volgehouden met van die prachtige Belgische paarden.
Het drankmisbruik was in die tijd al minder dan in 1900 toen je in Westzaan alleen al 20 kroegen had; daar werd het loon uitbetaald en direct opgemaakt.

Zelf heb ik nooit officieel autorijles gehad, maar het geleerd van mijn vriend waar ik mee bij de stoommachine van de Meufa rondhing.
Hij was gek op machines, dus ook op auto's en hij leerde mij autorijden op de Hogedijk in een voor 2 gulden per uur gehuurde auto.
Toen brak het moment van het rijexamen aan, in die tijd afgenomen door de elite van Zaandam.
In mijn geval was dat de heer Eggers, directeur van Hille Beschuit, die in de Stationsstraat tegenover de lagere school woonde en
waar ik in m'n huurauto moest voorrijden. Na afloop vroeg ik hem of ik geslaagd was; dat was ik en 'als ik goed mijn best deed zou ik het wel leren'.
Onze eerste auto was een Essex, een Amerikaans merk dat niet meer bestaat.
Die had een habbekrats gekost, maar was ook helemaal afgereden. Daarna een A-Ford met mechanische remmen,
die werkten via stangetjes vanaf het rempedaal naar de remmen. Ik had altijd reserve stangen bij me,
want het gebeurde wel dat je zo'n stang verloor als je hard reed. Je merkte dan dat de remmen het niet meer deden,
dus auto aan de kant en je prutste er weer zo'n stang onder. Die auto hebben we aan het begin van de oorlog aan garage Steemeijer verkocht,
je kon toch niet meer rijden en we hadden ook geen ruimte om hem behoorlijk te laten onderduiken.
Na de oorlog hebben we anderhalf jaar op een vergunning moeten wachten, terwijl we om een auto zaten te springen.
In de periode van wederopbouw werden we overal bijgeroepen. Kerken waren beschadigd en orgels moesten er uitgehaald of ter plaatse gerepareerd worden."



EEN ORGANIST MET EEN SCHILDERSBEDRIJF.

"Mijn vader had een schildersbedrijf, ik denk dat hij een goede schilder was.
Hij had het vak bij zijn vader geleerd, zo ging dat toen.
Bovendien had hij nog een opleiding bij een schildersbaas in Lage Vuursche gehad.
Die man had meestal een 6-tal jongens van collega's in huis, die leerden vooral 'mahonie- en eikenhout schilderen' en met fineer ingelegde tafelbladen imiteren.
Naast schilder was mijn vader ook muzikaal, met een voorliefde voor het orgel.
Hoewel ze het thuis niet breed hadden, was het hem toch gelukt om les van goede organisten te krijgen en
was hij tenslotte organist van de Westzijder kerk geworden. Voor zo'n baan moest je wel een goede organist zijn".
"Gedurende die periode, eind 19e eeuw, moest de kerk gerestaureerd worden inclusief het kleine oude orgel,
ooit gebouwd door een van de beste orgelmakers uit de 17e eeuw.
De kennis van de 17e eeuwse orgelbouw was helaas verloren gegaan, van restauratie was dus geen sprake, bovendien wilde men liever iets nieuws.
Dat paste geheel in de manier van denken in die tijd, waar van alles werd uitgevonden, maar ook gesloopt zoals stadswallen en poorten.
Men geloofde heilig in het 'nieuwe'.
Een degelijke, maar niet erg kunstzinnige orgelbouwer uit Amsterdam kreeg opdracht voor het nieuwe orgel, alleen de kast werd gerestaureerd.
Het nieuwe orgel werd de helft groter, maar er bleek helaas geen goede klank in te zitten.
Kon mijn vader met het oude kleine orgel de gemeente gemakkelijk ondersteunen, met het nieuwe lukte dat niet, de klank was veel slapper.
Tot zijn dood heeft mijn vader gepiekerd waar dat nou in zat, hij sprak er altijd over en het was tegelijkertijd aanleiding om het zelf te gaan proberen.
Pas in de 40-er jaren - ik had toen al de zaak van mijn vader overgenomen - zijn we er achter gekomen.
Tot die tijd zat het hem altijd dwars en nam zijn belangstelling voor de orgelbouw steeds meer toe, maar orgelbouwer worden zat er nog niet in.
Een schildersbedrijf met een vaste boterham aan de kant doen was een sprong in het duister en het zou een lange en moeizame weg worden om orgelbouwer te worden. "

Intussen ging Flentrop sr. naast orgel- ook pianoles geven.
Het was de gewoonte dat bij aankoop van een piano voor een leerling de leraar bemiddelde en daarvoor ook provisie ontving,
in dit geval van de firma Goldsmeding in de Raadhuisstraat in Amsterdam.
Hij kwam op het idee in z'n schilderswerkplaats ruimte af te schutten en piano's neer te zetten en in consignatie te nemen, "dan verdien ik meer".
Na een paar jaar gevolgd door rechtstreeks importeren uit Duitsland: "dan verdien ik er nog meer aan."

In 1903 was de pianohandel officieel een feit geworden en door het in dienst nemen van een goede pianoreparateur kon er ook een reparatiewerkplaats opgezet worden.
De stap die daarop volgde was het repareren van orgels.
Flentrop sr. had alweer geluk, want er kwam een kleine orgelbouwer bij hem werken.
Deze man kon het als gevolg van onenigheid met de kerk (en dus geen opdrachten) niet meer als zelfstandige bolwerken.
Van deze orgelbouwer heeft hij veel kunnen leren.

"Van mijn vader heb ik in eerste instantie het vak geleerd, te beginnen met orgel- en pianoreparaties.
Vervolgens ging ik naar Amsterdam en nog later naar Denemarken en Duitsland.
Ik trad dus in de voetsporen van mijn vader, daar is nooit over gepraat, het gebeurde gewoon.
" Voordien was Flentrop jr. in de 2e klas van de HBS blijven zitten.
Alhoewel vader en zoon goed met elkaar konden opschieten, moest junior van school en kwam hij in de leer bij een meubelmaker.
Meubelmaken was de basis van de orgelmakerij, want die bestond voor 2/3 uit houtbewerken.
"Die gebeurtenis is me nog lang bijgebleven, want m'n oude schoolkameraden die ik vaak genoeg tegenkwam, keken me niet meer aan.
Ik werkte immers bij een baas en zij zaten nog gewoon op school, al je HBS-kennissen was je op slag kwijt; dat was bij het traumatische af."

Hierna volgde een gebeurtenis die van beslissende invloed zou worden op zijn verdere leven als orgelbouwer.
Daardoor zou een halve eeuw later John Fesperman, curator van het Smithonian Institute in Washington voor muziekinstrumenten,
hem in zijn boek 'Flentrop in America' de belangrijkste 'artist-builder' van orgels in de 20ste eeuw noemen.



ALBERT SCHWEITZER IN ZAANDAM.

"Albert Schweitzer was om geld in te zamelen voor zijn ziekenhuis in Afrika op rondreis door Europa
en kwam een lezing houden in de Doopsgezinde kerk naast ons huis.
Schweitzer was niet alleen arts en zendeling, die op z'n dertigste de gelofte had afgelegd om 'anderen te dienen',
maar ook deskundig op het gebied van orgels en behalve organist, propagandist van het oude ambachtelijke orgel.
Dat laatste vooral was de reden dat mijn vader naar die lezing wilde en mij vroeg om mee te gaan.
Hij had toen het lef om na de lezing de 'grote' Schweitzer te vragen zijn mening te geven over een orgel dat hij voor de hervormde kerk in Koog a/d Zaan had gemaakt.
Het orgel was door de brand van 1920 verloren gegaan en Flentrop sr. had het nieuwe orgel mogen maken. Het was zijn eerste belangrijke orgel, waar hij erg zijn best op had gedaan.

Schweitzer is meegegaan naar Koog a/ d Zaan en heeft het orgel grondig bekeken en mij gevraagd - ik was toen 17 jaar -
of ik in de zaak van mijn vader kwam werken en een goede orgelbouwer wilde worden.
Dan moest ik vergeten wat hier fabrieksmatig gebeurd was, het zou ambachtelijk moeten.
Op mijn vraag waar ik dat kon leren, vroeg hij me de volgende dag naar Amsterdam te komen waar hij logeerde."

De volgende dag stond Dirk Andries Flentrop op de stoep van een deftig herenhuis op het Museumplein in Amsterdam,
een huisknecht in een gestreept rood/wit jasje deed open en liet hem bij Schweitzer binnen.
Die was net bezig met één been op een stoel zijn hoge schoenen dicht te rijgen.
Op een indringende wijze hield Schweitzer zijn pleidooi voor het ambachtelijk gebouwde orgel.
Het kwam erop neer, dat als je de onderdelen voor een orgel bij een fabriek in Duitsland bestelde en in elkaar zette,
je jezelf verlaagde tot orgelmonteur. Hier kwam de grote tegenstelling aan het licht.
Het oude ambacht was juist onderrneer verdwenen omdat men op een moderne wijze, dus fabrieksmatig, was gaan werken.
Een orgel weer op ambachtelijke wijze bouwen was daarom een geheel nieuwe gedachte.
"Ondanks het feit dat ik aanvankelijk door collega's voor gek werd versleten,
heb ik mijn verdere leven steeds getracht dat inzicht te volgen en uit te dragen.
Dankzij Schweitzer en niemand anders, ben ik de ambachtelijke voorloper geweest.
Als je het hedendaagse bedrijf gaat bekijken, dan zul je wel machines zien,
maar de mensen stoppen er geen materiaal in en hollen er niet achter aan.
Deze machines zijn bedoeld als verlengstuk van handgereedschap.
De man die opdracht krijgt voor het maken van een bepaald onderdeel doet dat geheel naar eigen inzicht.
Hij gebruikt de machine als het hem past en is dus geen slaaf van de machine."

Schweitzer heeft ook voor een leeradres gezorgd in de Elzas waar hij zelf vandaan kwam,
maar door de grote werkloosheid daar kwam er geen visum.
Bij het volgende adres in het Sudetengebied in Duitsland waar roerige tijden heersten,
werd het meenemen van een revolver aanbevolen, dat was in 1929 en dat ging dus ook niet door.
Tenslotte kwam Flentrop junior terecht bij een kleine niet-ambachtelijke orgelmakerij, maar wel met goede vaklui in Schwelm,
achter het Ruhrgebied en nog later werkte hij een tijd bij een 'half-ambachtelijk' bedrijf in een voorstad van Kopenhagen.

Terug in Nederland bleek dat het moeilijk was om werk te krijgen, wat vooral kwam door de grote conncurrentie.
"We maakten gebruik van een knipseldienst. Als je wat zag, ging je er achteraan, maar je kreeg meer dan eens te horen datje de 20ste was".
Toch kwam er langzamerhand schot in, met als hoogtepunt een regeringsopdracht om een orgel te bouwen voor de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs.
Dat orgel kreeg een Grand Prix en heeft zo aan de naamsbekendheid bijgedragen.
De heer Flentrop legt dan uit hoe zijn vader, een kleine orgelbouwer, die regeringsopdracht binnen haalde.
"Dat kwam zo: een vriend van mij, ook een orgelliefhebber, werkte bij de architect Eschauzier die het Nederlandse paviljoen voor Parijs moest inrichten.
Het thema was kerkelijke kunst, er moest dus ook een orgel komen en zo kwamen ze bij ons.
Het is geen zuiver ambachtelijk orgel geworden, maar een tussenvorm.
Dr. Anton van der Horst, een autoriteit op het gebied van orgelmuziek, heeft het bij de ingebruikname bespeeld".



DE TWEEDE WERELDOORLOG 1940-1945

Gedurende de periode die voorafging aan de Tweede Wereldoorlog, had men wel over de 'Kristallnacht' gehoord,
maar daar bleef het eigenlijk bij.
De enige juiste berichtgeving over wat zich in het vooroorlogse Duitsland van Hitler afspeelde kwam van de communisten,
die waren goed geïnformeerd, maar "daar luisterde je niet naar".
Dat er in mei 1940 voor Nederland een moeilijke periode was aangebroken stond inmiddels wel vast.
Dirk Andries, toen 30 jaar, volgde zijn vader op en kreeg de leiding over het bedrijf. Flentrop sr. was toen 75 jaar en zag er tegen op om door te gaan.
Zijn zoon is gelukkig de oorlog ongeschonden doorgekomen.
Weliswaar was dat een keer op het nippertje toen hij op z'n fiets met houten banden Haarlem-Noord binnenrijdend
een vreemd gevoel kreeg en meteen rechtsomkeert maakte.
Pas later hoorde hij dat daar bij een huis-aan-huis-razzia honderden mensen waren opgepakt.

'Toch was het in het begin van de oorlog, dat we ons eerste ambachtelijke orgel maakten.
In de eerste oorlogsdagen was de kerk van Wageningen verwoest, het orgel ook.
De gemeente Wageningen kwam snel in actie en kreeg de nodige vergunningen voor herbouwen gaf ons opdracht een nieuw orgel te leveren.
Dat gebeurde op voorspraak van de al eerder genoemde Anton van der Horst.
Deze was niet alleen conservatorium-docent, maar ook de bekende Naardense dirigent van de Mathëuspassion,
met veel gezag in de wereld van de klassieke muziek.
Dat ambachtelijke orgel kwam er dus, maar had helaas een paar fouten.
Aan het einde van de oorlog nadat de kerk voor de tweede keer was verwoest,
kregen we opnieuw opdracht voor een nieuw orgel en waren zodoende in staat de eerder gemaakte fouten te herstellen".



FLENTROP IN AMERICA.

Bij de in gebruikname van het orgel in Wageningen waren ook twee Amerikanen uit de orgelwereld aanwezig geweest,
die met de makers ervan in contact wilden komen. Zij kwamen naar Zaandam en zagen tot hun verbazing dat daar ambachtelijk gewerkt werd.
Ze zagen dat als folklore, zoiets als klompen maken.
Een van hen nodigde Flentrop uit om naar New York te komen om een lezing te houden
voor het jaarlijkse congres van Amerikaanse organisten in het Waldorf Astoria.
Daar kwamen 2000 mensen bij elkaar en wat aanvankelijk als entertainment was bedoeld,
bleek tot grote schrik van de initiatiefnemer een groot succes.

Dit was het begin van een snelle opkomst, van alle kanten kwamen er uit Amerika verzoeken om offerte binnen.
"Het werk kwam vanzelf binnen zonder daar ik daar ooit een cent aan reclame voor heb moeten uitgeven,
in zo'n groot land natuurlijk een onbegonnen zaak.
Het was bovendien een gelukkig feit dat een van de eerste orgels, het orgel bestemd voor Harvard, daaraan heeft meegeholpen."
In het kader van de naoorlogse Marshall-hulp had senator Fulbright een plan ontwikkeld om niet alleen de Europeanen te laten profiteren,
maar ook om Amerikaanse studenten die daarvoor in aanmerking kwamen, via een beurs in Europa kennis op te laten doen.
Er kwamen duizenden studenten met een Fulbright-beurs naar Europa.
Het vervoer gebeurde met Nederlandse schepen en gedurende de ongeveer tien dagen dat ze aan boord waren,
werden ze door begeleiders voorgelicht over wat ze in Europa konden verwachten en hoe ze hun verdere studie moesten aanpakken.
De begeleider voor de muziekstudenten heette John Fesperman,
later de auteur van 'Flentrop in America'.
De orgelstudenten trokken bijna allemaal naar een hoogleraar orgel in Frankfurt.
"Die man kende mij ook, want hij had orgelopnamen laten maken op het orgel van Alkmaar, dat ik toen net gerestaureerd had".
De goede Duitse orgels waren nog in slechte staat als gevolg van de oorlog.
De opnamen met het orgel uit Alkmaar kwamen ook in Amerika terecht, waar ze goed verkocht werden.
Op grond daarvan kregen de studenten die naar Frankfurt gingen niet alleen het advies om het orgel van Alkmaar te bekijken,
maar ook om Flentrop in Zaandam op te bellen, die er wel voor zou zorgen dat ze op het orgel mochten spelen.
We kregen hierdoor veel Amerikaanse studenten over de vloer die als propagandisten van ons bedrijf naar hun land terugkeerden.
Hoewel mijn eerste vrouw, die in 1985 is overleden, niet zelf in het bedrijf werkte, was zij er toch sterk mee verbonden en
dat heeft er toebijgedragen dat ik mijn positie kon opbouwen.
In het boek, dat aan haar opgedragen is, wordt daar ook over gesproken,
bijvoorbeeld dat ze iedereen altijd zo hartelijk ontving en met koffie klaarstond en de schrijver vervolgt dan:
'waarschijnlijk heeft mevrouw Flentrop meer koffie voor studenten gezet dan het hele Holland-America Institute'."

Door de bovengeschetste kansen te benutten nam de export naar de Verenigde Staten van Amerika enorm toe.
In 1978, als Flentrop orgelbouw 75 jaar bestaat, hebben in amper 25 jaar bijna 100 orgels de overtocht gemaakt.
"In het begin verzorgden we het transport zelf, maar dat hebben we al snel aan specialisten overgelaten.
Een orgel is geen product dat je kant en klaar verstuurt, dat moet in onderdelen gebeuren.
Het aantal pijpen van een orgel bedraagt al gauw 2000 stuks en als je aan de overkant je pijpen uitpakt, moeten het er ook weer 2000 zijn.
Het opbouwen van het orgel in Amerika deden we natuurlijk zelf en daarvoor gingen er een man of vier mee".



MEER DAN DUIZEND PIJPEN.

Op mijn vraag hoe je aan 2000 pijpen komt, hoe je dat organiseert en waar je 2000 pijpen zo gauw laat, komt het antwoord.
"In een orgel wordt de klank voortgebracht door voornamelijk metalen pijpen. Die maken we zelf.
Blokken lood en tin worden gesmolten, de samenstelling is belangrijk, want daar kanje de klank mee beïnvloeden.
Het mengsel wordt in platen gegoten, op dikte geschaafd, dan worden er rechthoeken uitgesneden, rondgebogen op mallen en dichtgesoldeerd.
Behalve het op dikte schaven van de platen gebeurt alles met de hand.
Een orgel van enige omvang heeft 2000 tot 3000 pijpen die op vrij ingewikkelde apparaten staan.
Je hebt drie toetsenborden boven elkaar met ieder ruim 50 toetsen, dan nog een vierde bord,
dat je met de voeten bespeelt en dat 30 toetsen heeft.
Ieder klavier of toetsenbord is verbonden met een afdeling in het orgel en daar staan een aantal rijen pijpen;
voor iedere toets een pijp voor een klankkleur.
Heeft zo'n afdeling of groep 10 klankkleuren, dan kom je uit op ongeveer 600 pijpen per afdeling (klavier).
De pijpen maak je per register, dat zijn pijpen van één klanktype van de laagste naar de hoogste.
Globaal gesproken begin je met een pijp van 2 meter en eindig je met een pijpje van 10 cm.
Er zijn ook registers die met 30 cm beginnen.
Bij grote orgels zoals dat van de St. Bavo in Haarlem meet de langste 32 voet of 9,60 meter en de kleinste maar 1 cm.

Praktisch alle andere onderdelen worden met de hand uit hout gemaakt.
De hele mechaniek, de verbinding tussen de toets en het ventiel onder de orgelpijp worden speciaal voor dat orgel ontworpen.
Niet alleen het aantal maar ook de diameter van de pijpen is belangrijk en dat laatste hangt onder meer af van de grootte van kerk of concertzaal.
Hier volgt uit, dat voor dezelfde toon een andere diameter mogelijk is, kortom daar zitten variatiemogelijkheden in.
Met die diameters bepaal je ook voor een groot gedeelte de klankkleur,
de man die de pijpen uitrekent is degene die bepaalt hoe het orgel zou kunnen klinken en
van de mensen die de pijpen verder afwerken hangt het af of het werkelijk wat zal gaan worden.

Het eerste orgel dat naar de wereldtentoonstelling in Parijs ging had 800 tot 900 pijpen.
Het is nog steeds in gebruik en hangt ook nu nog in de kerk van Naarden.

De voorkant van een orgel is niet alleen maar een façade, maar een voortzetting van het inwendige,
ziet het er van voren goed uit dan weet ik wat ik te horen krijg.
De voorste pijpen, die wat klank betreft de belangrijkste van de orgelkas zijn, heten de prestantpijpen.
Dat woord is afgeleid van het Italiaanse prestare, wat vooraanstaan betekent.
Orgelkas is geen verspreking, dat moetje met 'oogkas' vergelijken, een omsluiting van iets waardevols. "

Er waren reeds orgels in de tijd van de Romeinen, die voor entertainment aan het hof dienden.
Het is zelfs mogelijk dat we de oorsprong van het orgel in de panfluit moeten zoeken.
Door die voorgeschiedenis is het begrijpelijk dat het orgel in de kerk niet zonder strijd zijn intrede deed.
Ons land heeft in West-Europa, de bakermat van het orgel, niet als enige een belangrijke rol gespeeld.
Zo heeft men in Praag schitterende orgels en worden ze ook gebouwd in Zuid-Duitsland en vroeger langs de Oostzee.
Italië heeft een ander type en Russische orgels zijn door Duitse orgelbouwers gemaakt.
Engeland heeft een eigen stijl en in Amerika gebeurde alles gebaseerd op wat men in Europa deed, maar dan uitsluitend fabrieksmatig.

De fabrieksmatige bouw in de Verenigde Staten is gedurende de recente geschiedenis drastisch gewijzigd
als gevolg van de kruistocht die Flentrop voerde ten gunste van het ambachtelijke orgel.
De meeste Amerikaanse bedrijven gingen er langzamerhand ook toe over om ambachtelijk te produceren.
De snelle opgang door Flentrops bedrijf eerder gemaakt, nam ook weer af naarmate de Amerikanen zelf beter werden.
Voordat het echter zover was werden er in het totaal ruim 100 orgels voor Amerikaanse opdrachtgevers gebouwd.
In 1968 kreeg de Zaanse orgelbouwer een eredocoraat van het Oberlin College van Oberlin, in de staat Ohio,
gevolgd door een tweede in 1976 naar aanleiding van de ingebruikneming van een groot orgel voor de Duke University Chapel in Durham, North Carolina.

Het orgel van Duke speelt nog een andere belangrijke rol in het leven van de nu 91 jarige Dirk Andries Flentrop.
Door dit orgel leerde hij via een wonderlijke weg zijn tweede vrouw kennen;
een Amerikaanse die in Durham muziek ging studeren en in de ban van het orgel raakte.
Tijdens haar studie ontmoette ze een medewerker van Flentrop Orgel bouw,
die toen voor onderhoud aan het Duke orgel in Amerika was. Deze Amerikaan van Hollandse afkomst was eerder via een 'toevallige' loop
van omstandigheden bij Flentrop in Zaandam terechtgekomen.
Hij adviseerde haar op zijn beurt om in Nederland te studeren, want zij had ook een Fulbright-beurs gekregen.
Ze volgde zijn advies op en ging aan het Conservatorium in Leeuwarden studeren en ontmoette later toen ook de man,
die zo'n grote rol in de geschiedenis van de orgel bouw van haar geboorteland heeft gespeeld.


Peter Marcuse

Met dank aan: D.A. Flentrop.

Bronnen:
- Albert Schweitzer, Over mijn jeugd
- JanJongepier, 75 jaar orgelbouw
- John Fesperman, Flentrop in America
- Flentrop BV-Zaandam
- Stichting hout en meubel-Vakopleiding orgelbouw
- mr J. Korf en J. W. van Sante, Zaandam in oude ansichten












.