Tussen Kunst en Ambacht

TUSSEN KUNST EN AMBACHT



Inleiding.

Indien we onder kunst verstaan: de subjectieve expressie van de mens, los van smaak en mening van anderen, dan zou de Gouden Eeuw aan de Zaanstreek vrijwel ongemerkt voorbij zijn gegaan.
Het afzetgebied voor kunst in de Zaanstreek is nooit groot geweest, maar de vele tekeningen en schilderijen die gemaakt werden, geven wel een schat aan informatie en zijn dus vooral van historische waarde.
De Zaanstreek had nu eenmaal geen stedelijke reputatie, maar bleef lange tijd gewoon platteland en was derhalve geen ideaal afzetgebied voor beeldende kunst.
Wie vermogend werd, leefde sober conform de doopgezinde traditie, stak geld in allerhande zaken, maar kunst was daar niet bij.
De schilder in de late middeleeuwen en in de renaissance werd overigens beschouwd als ambachtsman en maakte in de stad deel uit van het gilde systeem.
Voor de schilder die ook in opdracht uithangborden en erepoorten wilde maken en zo in zijn levensonderhoud kon voorzien was er werk in de Zaanstreek, waar geen gilden bestonden.
Wie meer ambitie had vertrok naar elders, naar Haarlem, Amsterdam, Utrecht en verder.
Het zoeken naar een weg in het spanningsveld tussen de vrije kunstuiting en de voldoening van het vakmanschap is iets van alle tijden.
Het eerste voorbeeld in de Noordelijke Nederlanden van een nieuw type zelfbewuste kunstenaar is Jan van Scorel (1495-1562) die o.a. in 1512 assistent van Jacob Cornelisz. van Oostsanen is geweest.
Hij speelt een hoofdrol in het verspreiden van de Italiaanse renaissancekunst en door zijn verblijf in het buitenland gaat hij zich steeds meer zien als intellectueel, de gelijke van dichters en geleerden.
Veel van zijn werk, meest bijbels taferelen is tijdens de Reformatie verloren gegaan
Zijn nevenactiviteit als ingenieur bij projecten zoals het uitdiepen van de haven van Harderwijk en het droogleggen van de Zijpe in Noord-Holland is kenmerkend voor de renaissance waarbij schilders ook uitvinders worden en omgekeerd met natuurlijk Leonardo da Vinci wereldwijd voorop.

Kunst als ambacht

Kunst en ambacht lopen door elkaar, meestal meer ambacht maar toch vaak genoeg met een extra dimensie waardoor het tot kunst gerekend kan worden.
Als we spreken van ambachtelijke kunst dan gaat dat in feite over kunst in opdracht.
Dat is het geval met de kaart van Joost Jansz Beeldsnijder, een houtsnede uit 1575, merkwaardig genoeg in opdracht van de Spanjaarden en heruitgegeven in 1608 als ingekleurde kopergravure, te beschouwen als het symbool van de strijd tegen zowel het water als de Spaanse overheersing.
Hoewel het hier om cartografie gaat en ook nog om toegepast als reproductietechniek wordt door het bewezen vakmanschap toch een bijzondere prestatie geleverd.
Naast de vele tekeningen en schilderijen, vaak meer van topografische betekenis en veelvuldig ter illustratie gebruikt in de andere hoofdstukken, vinden we ook andere sporen van ambachtelijke bedrevenheid in de Zaanstreek.
Kalligrafie toegepast in namen en teksten, met een, op de diverse grafzerken in de West- en Oostzijder kerk in Zaandam zijn op zich geen kunst in opdracht, maar de makers er van verstonden hun vak.
Dan zijn er vervolgens de diverse vormen van ornamentiek in de vorm van versieringen in steen aan gevels van gebouwen zoals het stadswapen van Zaandam en wit geschilderd ornamenten aan groen
geschilderde houten huizen.
In mijn kast voor droge verfwaren, afkomstig uit de voormalige drogisterij van Doorgeest in Zaandam, zijn maar liefst acht laden voor de verschillende kleuren groen gereserveerd. Die kleuren komen tot stand uit koperverbindingen, giftige stoffen die op hout een schimmelwerende invloed hebben. Een voorbeeld van functioneel gebruik bij de houtbouw, iets waar juist de Zaankanter voor open staat. Wel heeft geeft het toen veel gebruikte bremergroen een vrij snelle verkleuring naar blauw te zien, waaraan het schilderij “Het blauwe huis” van Monet ons herinnert.

Houtsnede en gravure.

De houtsnede is een in de 14e eeuw ontwikkelde hoogdruktechniek waarbij met een guts die delen van een tekening in dit geval een kaart worden weggestoken die er niet toe doen, waarna met een inktroller het houtblok van inkt wordt voorzien en er vervolgens een vel papier op legt, druk uitoefent en een afbeelding in spiegelbeeld is geboren.
Een gravure is daarentegen een diepdruktechniek en wordt gemaakt op een in dit geval koperplaat waarin met een scherpe beitel de tekening wordt uitgestoken. De plaat ligt in een bak met zand en kan bij bochten gedraaid worden zodat de graveur van zich af blijft steken. In tegenstelling tot de houtsnede is de gravure ook in sociaal opzicht interessant daar door de hoge oplage een prent vele malen goedkoper is dan een schilderij.


Zaans Museum.

Nog meer uitingen van vakmanschap komen we tegen in het Zaans museum op de Zaanse Schans in de vorm van afbeeldingen op voorwerpen direct gerelateerd aan de maritieme wereld, zoals tabaks- en snuifdozen, dienbladen en tafels, panelen en kamerschermen. Niet te vergeten de wijzerplaat van een Zaanse klok en een fraai exemplaar van een kerkschip.


Ambacht aan het water.

Bij dit een onderwerp is er zoals vaak het geval sprake van tegenstellingen. Dijkdoorbraken van de oude Zuiderzee met in 1916 de gevolgen tot in de Zaanstreek voelbaar, tegenover water als belangrijkste factor in de infrastructuur. Wat heb je aan windkracht -dus molens- als je er niet bij kunt komen en hoe wil je vee laten grazen en hooi binnenhalen als er geen wegen zijn?
Naast het water was er een schilderachtige infrastructuur van hoge houten bruggen en modderige paden waarlangs de molenknechten te voet de molens konden bereiken.
De woon- en werksituatie van zo’n molenaarsknechtje werden onlangs nog eens goed weergegeven tijdens de expositie “Aan de slag met Japie” in het Molenmuseum in Zaandijk.
Voor het vervoer van vee naar de drassige weiden en het dagelijks melken van de koeien was men op het water aangewezen.
Een groot aantal scheepswerven en werfjes leverde en onderhield een vloot van pramen om koeien of hooi te vervoeren en geroeide jollen met een of twee melkbussen. Hier werd ambachtelijk ook iets moois gemaakt, hoewel de boeren uitsluitend oog voor de kostprijs hadden.
Een goed voorbeeld van zo’n kleine scheepswerf was de werf van Slager, later Segveld, gelegen aan de toen nog niet gedempte sloot naast de Hobbemastraat in Zaandam waar ik opgroeide.
Schoonvader Slager en Segveld senior waren daar in 1922 op het terrein van de voormalige krijtmolen, de naam zegt het al, “De Krijthengst” met een werkplaats, loods voor stalling en twee scheepshellingen begonnen, zoals ongeveer nu nog op de Zaanse Schans te zien. Ze bouwden jollen en pramen zonder tekening en kenden alle kneepjes van het botenbouwersvak. Een geroeide jol van Segveld schoot als een snoek door het water en de pramen met hun eikenhouten spanten waren onverwoestbaar en doorstonden elke aanvaring zonder noemenswaardige eigen schade.
Behalve scheepsbouw deden ze ook alle reparatie- en teerwerk aan de dekschuiten van de houthandel en zagerijen in de buurt.
Zoals er zoveel in de tweede helft van de vorige eeuw in de Zaanstreek veranderde, moest ook
de werf wijken voor huizenbouw en zoon Harry die inmiddels het bedrijf voortzette, verhuisde in 1950 naar het Westzijderveld. Ook daar was men niet veilig voor huizenbouw en men verhuisde noodgedwongen in 1975 weer, maar nu ver weg naar Wolvega in Friesland. Met alle bezittingen op dekschuiten geladen en na een avontuurlijke tocht van ruim een week over het IJsselmeer, werd daar een jachtwerf voor onderhoud en stalling opgezet.
Zo kwam er een einde aan ruim een halve eeuw ambachtelijke botenbouw.


Kunst aan het water

In dezelfde tijd dat het Westzijderveld voor woningbouw ingericht werd, overleed Frans Mars (1903-1973) die als geen ander de eerder beschreven infrastructuur van het waterlandschap uitbeeldde in schilderij, aquarel en in -wat mij vooral boeit- zijn pentekeningen. Hij wordt door zijn schilderijen wel aangeduid als een late navolger van Claude Monet die hij ook zeer bewonderde. Met dit verschil dat hij echt het landschap induikt en een accent op de topografie legt, waardoor hij ons als het ware iets van de aloude cartografie laat beleven.
Bovendien heeft hij oog voor de aspecten die de mens in het landschap aanbrengt; tegelijkertijd kan men zich afvragen of zijn topografische belangstelling niet op gespannen voet komt te staan met hetgeen kunst beoogt.
Belangrijker dan het beantwoorden van die vraag is, dat door zijn oeuvre een periode uit het verleden is vastgelegd.
Toen molens tot fabrieken werden omgebouwd of nieuwe fabrieken gevestigd werden, steeg ook de vraag naar arbeid waardoor een onstuitbaar proces van huizenbouw en wegenaanleg op gang kwam en het landschap drastisch veranderde.
De nieuwe grootschalige bedrijfsactiviteiten concentreerden zich steeds meer langs de hoofdwaterweg: de Zaan. Zelfs nu is die structuur nog goed zichtbaar, ook nadat de meeste grote en nieuwe ondernemingen naar moderne bedrijfsterreinen verhuisd zijn. Deze combinatie van de enkele overgebleven molens en laagbouw naast grote fabrieken is fascinerend om te zien.
Zij die zich nog net op tijd hebben ingezet voor het behoud en hergebruik van de oude fabriekscomplexen ervan, mogen we dankbaar zijn. Met name de vereniging Zaans Industrieel Erfgoed (ZIE) heeft hiervoor met succes op de bres gestaan.


Beeldsnijders

Laten we eens kijken wat deze bonte verzameling aan gevels langs de Zaan aan inspiratie voor kunstenaars opleverde. Allereerst de woningen van hout, oorspronkelijk geteerd, daarna metaalgroen geverfd en later in de lichtere kleuren zoals eerder beschreven. Interessant zijn de rijke versieringen in de vorm van de wit geschilderde ornamenten, ontleend aan Louis Seize en Empire stijl.
Speurtochten naar het beroep van beeldsnijder leveren via protocollen en veilbrieven een achttal in Zaandam gevestigde beeldsnijders op.
Zij maakten in de scheepsbouw versieringen aan boegbeeld en spiegel en de commandeurskajuit zoals te zien op schilderijen van walvisvaarders. Tussentijds maakten ze gevelversieringen zoals we ze nu nog kennen. Deze ornamenten hebben geen verband met de houtconstructie en maken dus geen deel uit van de woningbouw. Verder vervaardigden ze snijwerk voor kasten,klokken en sleden en kerkmeubilair. In de Evangelisch Lutherse kerk (1699) aan de Vinkenstraat in Zaandam vindt men daar een voorbeeld van.
De uit Oostenrijk afkomstige A.O. Brucker die zich in 1946 in de Zaanstreek vestigde, een bekwaam beeldsnijder en later conservator van het Molenmuseum, had veel oog voor de specifieke gevelornamentiek en heeft veel aan het behoud en herstel ervan bijgedragen.
Juist tijdens de economische neergang van de Bataafse republiek en na inlijving bij Frankrijk werd er in de Zaanstreek opmerkelijk veel gebouwd als zou het een goed moment zijn om het eerder verdiende geld goed te investeren bij gebrek aan beter.
De versieringen zijn ontleend aan de Amsterdamse grachtenhuizen en doordat ze met de guts in hout uitgestoken is het resultaat toch geraffineerder dan in steen mogelijk zou zijn .Hierdoor blijkt ook weer het vakmanschap van de beeldsnijder waardoor de Zaanse pronkgevels uitstijgen boven de volkskunst van het platteland elders. De makers waren niet steeds van Zaanse afkomst, ook beeldsnijders uit Amsterdam hebben voor Zaanse kooplieden gevelversieringen uitgevoerd.
Het dagelijks leven en gewoonten vind men afgebeeld op huisraad en gebruiksvoorwerpen te bezichtigen in het Zaans Museum.
De afbeeldingen lijken meer gemaakt om informatie te geven, of zo men wil om te pronken met wat men bezit dan dat het om pure kunstuitingen gaat.
Zaans snijwerk en schilderwerk op spanen dozen treft men tot in Sleeswijk-Holstein en Denemarken aan.
Zaans zilver heeft ook al een goede naam en vind ook z’n weg naar het buitenland en is in musea in Hamburg en Lübeck te bekijken. Er is sprake van gelijkenis met volkskunst als Hindelooper kunst waar veel gebruik wordt gemaakt van motieven als de Acanthusplant uit het Middellandse zeegebied.
Toch ligt het niveau in de Zaanstreek hoger want er is een afzetgebied bij de rijken, met dat verschil dat ze niet zo pronkzuchtig zijn als de rijke Amsterdammers, die zich door beroemde schilders laten portretteren en oude meesters verzamelen.
Hierdoor kunnen we ook verklaren dat kunstenaars als Jacob Cornsz . van Oostzanen en Pieter Jansz. Saenredam naar Amsterdam trekken.

Bij alle beschrijvingen van klederdracht tot huisraad weten we overigens nauwelijks hoe de gewone mensen leven en zich kleden. In elk geval is het verschil tussen arm en rijk enorm. Tot halverwege de 19e eeuw leeft het grootste deel van de bevolking op of onder het bestaansminimum en is er weinig wooncomfort en hygiëne. Een vriendelijk kijkje in het dagelijks leven in Zaandam, gedateerd 1838 en met dezelfde titel, wordt gegeven in een aquarel van Mary Ellen Best uit Engeland.
Afsluitend kunnen we concluderen dat er tot de 19e eeuw meer sprake is van toegepaste kunst die door het niveau van vakmanschap boven volkskunst uitstijgt.

Louis Seize en Empire stijl.

De Louis Seize stijl (1770-1830) houdt de terugkeer in van strakke lijnen, sobere en symmetrische classicistische versieringen, zoals slingers en vazen. Een mooi voorbeeld is te vinden aan de Noorderhoofdstraat 131 in Krommenie.
De Empire stijl is verwant aan de Louis Seize stijl maar strakker, bijna militair en is verwant aan Egyptische en Romeinse bouwkunst. Deze stijl maakt gebruik van verguldingen en felle kleuren en duurde zolang als Napoleon regeerde.


Het impressionisme

Halverwege de 19e eeuw komt voor het eerst er iemand van buiten onuitgenodigd enkele maanden schilderen; het is Claude Monet wellicht via informatie van de Nederlandse kunstschilder Jan Jongkind die hij in Frankrijk heeft leren kennen. Hij en Boudin zijn de voorlopers van het impressionisme waaruit Monet en zo vele anderen voortkomen. Voor het eerst wordt er buiten en zonder voorstudie direct op het doek geschilderd. Dat was een gevolg van de Engelse uitvinding van verf in een tube, want voor die tijd werd verf in blazen van een dierlijke oorsprong bewaard, wat niet kon voorkomen dat de verf toch voortijdig uitdroogde.
Wellicht wordt Monet ook gefascineerd door de verhalen van Jongkind over het Hollandse licht.
Het is overigens niet te verklaren waarom Monet, die in Rotterdam aankomt, de vaak afgebeelde Maas met Dordrecht en zijn omgeving overslaat.Het is een feit dat hij regelrecht naar de Zaanstreek trekt, een plek tot dan toe alleen bekend door de paar dagen die Czaar Peter er doorgebracht heeft.
Ondanks beschrijvingen in de reisliteratuur is de Zaanstreek met zijn handel en nijverheid weinig inspirerend voor het toerisme. Pas na de aanleg van de spoorweg naar Zaandam en Enkhuizen wordt de Zaanstreek voor bezoekers meer toegankelijk.
Belangrijker is dat hij 24 schilderijen gemaakt heeft, direct op doek en het liefst in een bootje op het water zoals in Frankrijk. Of heeft hij toch wel geweten dat de kleurrijke Zaanstreek voor hem een uitstekende plek was om met heldere onvermengde kleuren te werken?
Zijn opvolger die de Zaanstreek bezocht en er schilderde was Fransman Armand Guillaumin, een een voorloper van het Pointillisme. Daar waar Monet nog de werkelijke kleuren nastreeft, verwerkt de Guillaumin totaal andere kleuren. Eigenlijk neigt hij meer naar het fauvisme (Les fauves, de wilde dieren), een stroming die Parijs in grote beroering brengt en uitmondt in het neo-impressionisme waar o.a.Vincent van Gogh en Gauguin ook deel van uitmaken.


De industrie in beeld

De productieomslag in het begin van de 20ste eeuw van molen naar fabriek verandert het landschap aan de Zaan drastisch en waar tot dan toe vriendelijke molens en groengeschilderde huizen de boventoon voeren, verrijzen grote fabrieken. Wie nog beweert dat houtbouw een logisch gevolg van de drassige bodemgesteldheid is, komt bedrogen uit.
Er ontstaat dan die vreemde combinatie van fabrieken en woonhuizen met nog een enkele overgebleven molen, heden ten dage nog steeds uniek in Nederland. Een samenspel van groot- en kleinschaligheid links en rechts van een brede rivierloop, met het enige verschil dat het tegenwoordig stil op het water is geworden.
De stimulans die van de zich steeds verder uitbreidende industrie uitgaat, vindt men terug in de schilderkunst. Ook fabrikanten zelf zien het belang om hun grote gebouwen te laten vereeuwigen en met trots te tonen aan de afnemers van hun producten. Als eerste vorm van een reclame-uiting
aquarelleert en schildert de Duitser Ernst Hesmert imposante fabrieksgebouwen in vogelperspectief. Onze nationale industrieschilder Herman Heyenbrock (1871-1948) heeft ook een aandeel in het vereeuwigen van wat nu tot het Zaans Industriële Erfgoed behoort. Daarna wordt Frans Mars de bekendste regionale kunstenaar met z’n alomvattend oeuvre.
Kijken we verder naar schilderijen uit de periode tot 1950, een belangrijk industrieel markeringspunt, dan leren we eerst Felicien Bobeldijk (1876-1964) kennen met gezicht op ‘de Zaan en fabrieken’ uit 1940 en Cees Bolding (1897-1979) met ’De Zaanbocht te Wormerveer’ 1944,
vervolgens Jan de Boer (1902-1988) ’Fabriek’1956, Cor Dik (1906-1975) ’Zaangezicht van af de Beatrixbrug’ 1965, Gerrit de Jong (1905-1978), ’De Achterzaan met Fabrieken gezien van de Bernardbrug’ en tenslotte Ko Koeman (1889-1978) met ‘Huizen aan het Zwet, gezien naar Wormerveer’.
Bij Aart Roos (1917) zien we in twee schilderijen genaamd ’Zaans Landschap’ uit ca 1949 voor het eerst tekenen van abstract werken.
Ook na de vijftiger jaren van de vorige eeuw zien we ook in de Zaanstreek steeds meer kunstenaars opkomen en zich vestigen, van wie ook een aantal zich door het water in het landschap laat inspireren.

In de 21e eeuw is de traditie van het unieke Zaanse industrielandschap nergens zo goed opgepakt als door Joanne Zegers (1970) in haar schilderij ‘de Rode Avond’ dat als voorbeeld gekozen is uit haar vele werk dat zonder uitzondering de Zaanoever , maar ook het polderlandschap als terugkerend onderwerp heeft.
Zij verwoordt haar inspiratie als volgt: ”Het water heeft mij al van jongs af aan geïnspireerd. Wonend aan de Zaan zijn de reflecties, de gebouwen en de val van het licht een steeds terugkerend onderwerp in mijn werk. Ik heb sinds de academie wel verschillende fases doorgemaakt; van expressief lijnenspel tot sober landschap met menselijke figuren. De mens in zijn omgeving is een aantal jaren belangrijk voor mij geweest. De omgeving is soms gereduceerd tot een enkele kleur, de mens teruggebracht tot een silhouet. Uiteindelijk durfde ik aan mezelf toe te geven dat die figuur weg moest en dat het landschap uiteindelijk mijn bron van inspiratie is. De mens staat nu als een denkbeeldige figuur voor het doek en kijkt met mij mee.
In 2000 kwam de omslag in mijn werk, de horizon en speciaal de oever werd mijn belangrijkste onderwerp. De overgang van water naar land of van water naar lucht met daar tussen met soms een verwijzing naar de mens in de vorm van gebouwen zijn mijn inspiratie. De grootsheid maar tegelijk ook de kleinheid van het menselijk ingrijpen in het landschap boeit mij enorm. Fabrieken zijn machtige gebouwen met hun onontkoombare aanwezigheid (zeker voor mij als Zaanse!). In het maanlicht, het ochtendlicht of de mist vervagen ze tot blokken die bijna nietig afsteken tegen de lucht. De spanning tussen de mens en het immense lege landschap probeer ik voelbaar te maken. De mens is zelf dan niet meer het onderwerp, maar de 'sporen' die wij achterlaten wel. Verder zijn gebouwen, façades en de reflecties ervan gewoon mooi.
Het zijn perfecte metaforen voor de alles doordringende gedachte dat alles eens ophoudt te bestaan. Ook dat ons lijden niets betekent in het licht van de geschiedenis en tegenover het heelal al helemaal niet, want daarin is zelfs onze planeet een belachelijk nietig stipje. Dit zijn fijne gedachten!
Ik probeer ze te verbeelden in mijn landschappen en geef onze aanwezigheid (fabrieken en gebouwen) een glans van eeuwigheid.”


Schepen in beeld.

In de jaren vijftig vestigt Leo van Viegen (Hoorn 1942) zich in Zaandam, waar zijn vader inmiddels al enkele jaren werkzaam is. In Hoorn maakte hij al vroeg kennis met het water; niet met een boot want daar was geen geld voor, maar zwemmen kon gratis. Hij heeft van jongs af aan maar één wens en dat is om vrij te tekenen. Omdat hij nog te jong is voor een academische opleiding volgt hij de opleiding tot huisschilder op de LTS. Hij is daarin geen uitzondering, want er zijn er meer die ook zo’n opleiding volgen, zoals de later zeer bekend geworden Amsterdamse kunstenaar Jan Sierhuis. Die opleiding is zo gek nog niet, je leert er heel wat basistechnieken, maar liefst 4 tekenvakken: technisch en handtekenen, projectie en perspectief en bovendien lettertekenen naast marmer en houtimitatie.
Na z’n opleiding gaat hij op z’n 15e bij de reclameafdeling van Verkade werken als leerling reclametekenaar op de reclameafdeling van Verkade. De oprichter van die afdeling, de beroemde Cees Dekker -inmiddels bijna blind geworden- is dan juist bezig om na ca. 35 jaar afscheid te nemen.
Bij Verkade is van Viegen voor 20 gulden in de week voorlopig druk in de weer met het illustreren van de nootjes op een chocoladereep tot een mooi blond mariakoekje, groot als een wagenwiel. Dat betekent verpakkingen maken, schilderen van etalage decors en standbouw op puur ambachtelijke wijze. Het medium fotografie staat niet hoog in het Verkade vaandel en wordt zeer gewantrouwd. Dat maak ik zelf als fotograaf in de zeventiger jaren nog mee, al zijn ze dan bijna overdreven kieskeurig wel gewend om fotografie toe te passen voor hun reclame-uitingen.
Na zes jaar Verkade en s’avonds de Kunstnijverheidsschool (Gerrit Rietveld Academie) in Amsterdam, stapt Leo van Viegen op. Hij gaat een aantal jaren bij een reclamebureau in Amsterdam werken en daarna als ontwerper en illustrator voor een periode van twaalf jaar bij William Pont in Zaandam. Zijn vrijheidsdrang wordt daar danig op de proef gesteld door alles wat er voorbij vaart. Hij wil minder betaald werken om tijd over hebben voor vrij werk. Dat kan aanvankelijk niet bij William Pont en hij gaat terug naar z’n vorige werkgever in Amsterdam waar het wel mogelijk is.
In die tijd blijkt weer z’n veelzijdigheid door zijn ontwerp van de z.g.’klompjol’, die je hier en daar nog wel eens tegenkomt. Het prototype bouwt hij zelf uit lattenmateriaal zodat er constant gehoosd moet worden, maar na de octrooiaanvraag worden de 4 meter lange klompen in kunststof vervaardigd.
Tegelijkertijd begint hij in de achtertuin van zijn huis met de bouw van een zeewaardig zeiljacht, vanaf het maken van de bouwtekening en met de middelen van die tijd, zoals een cirkelzaag aangedreven met een oude motor uit een wasautomaat, dat na vijf jaar klaar is en nu veertig jaar later nog steeds in gebruik is.
Intussen is hij ook druk bezig met pen en papier om vooral schepen te tekenen. De remming bij William Pont is hiervoor een aangewezen plek, want daar mogen schippers in ruste gratis liggen.
Daar ligt de tjalk Fedusia van schipper Klinker, waarop zijn zoon Gerrit woonde die bij scheepswerf Brouwer gewerkt heeft.
De lijnen van een schip in de juiste verhouding tekenen is niet gemakkelijk, vooral als je dat uitsluitend naar waarneming doet en geen foto’s gebruikt. Daar is op die oude goeie ambachtschool, waar menig doorsnee burger vroeger op neerkeek, wel een professionele basis gelegd.
Zijn oeuvre neemt in de loop van de tijd steeds meer ruimte in en beperkt zich niet alleen tot schepen. De ooit grootste draaibrug van Europa de Hembrug ontbreekt natuurlijk niet en het water bijna nooit.
Zijn werk bestaat naast pentekeningen en lijnetsen ook uit etsen met aquatint, een etstechniek die het mogelijk maakt om tegelijkertijd lijnen en vlakken af te drukken. Hij heeft bovendien in aquarel gewerkt -waterverf direct op wit papier- en heel toepasselijk voor de Zaanstreek ontbreekt de houtsnede ook niet.

Linosnede

Ofschoon Leo van Viegen zelf deze techniek niet toepast is het toch interessant te vermelden, omdat het hier gaat om een ander typisch Zaans product als linoleum, maar wel een speciale zachte soort voor kunstenaars. Het is een techniek te vergelijken met de houtsnede, echter zonder nerf en een voordeel is dat het zachte materiaal vloeiender lijnen mogelijk maakt. De beroemdste kunstenaar die ook de lino techniek toepaste is Pablo Picasso





Design.

Waar met wind en water als enig gegeven een bloeiende houtindustrie ontstaat, komt aangelokt door de nieuwe houthaven van Zaandam omstreeks 1922 de fa.Bruynzeel uit Rotterdam zich vestigen. Kees Bruynzeel de grondleger van een nieuwe deurenfabriek heeft eerder zijn inspiratie opgedaan in de U.S.A. In het havengebied ontstaat de eerste reuzenhal , waarin de eerste vorm van massaproductie op Amerikaanse wijze gaat plaatsvinden
Wat ook opmerkelijk is dat deze ondernemer niet alleen grote belangstelling voor kunst heeft, maar ook de mogelijkheden ziet om kunst als design toe te passen in zijn producten. Het vormgeven van industriële producten is tot dan nooit zo in de belangstelling geweest, men is immers gewend om op oude tradities voort te bouwen.
We leven echter in de tijd van de Stijl en hier duikt voor het eerst de naam van Piet Zwart (1885-1977) onze belangrijkste nationale ontwerper uit de 20ste eeuw. Geboren in Zaandijk, zoon van een bedrijfsleider werkzaam bij een olieslagerij. Een buitenbeentje in een wereld van handel en nijverheid , maar in zoverre toch een echte Zaankanter omdat zijn artistieke aanleg gelijk opgaat met de belangstelling voor techniek en doelmatigheid.
Als in 1922 fabrikant Cees Bruynzeel en vormgever Piet Zwart elkaar voor het eerst ontmoeten, gaat juist door die wederzijdse belangstelling al spoedig een nieuwe wereld open: die van integratie van vormgeving in de industrie.
Door z’n technisch inzicht en bekendheid met nieuwe materialen ontwerpt hij zelfs in 1936 de inrichting van Bruynzeel’s nieuwe zeiljacht bestemd voor oceaanraces en zo is de link met het water gelegd.


Fotografie.

In 1816 vindt de Fransman Joseph Niépce een manier uit om beelden langs fotografische weg te maken. Het duurt het nog ruim 50 jaar voordat de Engelse arts Maddox met de zogenaamde droge methode komt. Voor het eerst is het mogelijk om met een droge gevoelige laag op een glasplaat direct te fotograferen zonder dat men eerst zelf z’n platen moet ’gieten’.
De fotografie is een techniek die door handel en nijverheid al snel omarmd wordt: hoe kan je beter zo echt en overtuigend mogelijk laten zien wat je te bieden hebt aan gebouwen, in de scheepsbouw en de exploitatie van beiden? Denk aan veerdiensten als de Alkmaar Packet, maar ook aan producten en arbeidsprocessen.
Een goed voorbeeld is de uitgave van 1911 ter gelegenheid van de nieuwe zeehaven van Zaandam, heruitgegeven in 1983 door de 2 jaar daarvoor vers opgerichte Vereniging tot Behoud van Monumenten van Bedrijf en Techniek in Zaandam op initiatief van G.H.L.Tiesinga en J.Kingma.
Dit gedenkboek van de Zaanse Handel en Nijverheid geeft een imposant beeld van de grote fabriekscomplexen uit eind 19e en begin 20ste eeuw in schitterende foto’s. Het feit dat niet alleen de gemeente Zaandam voor de subsidie tekende maar daarnaast nog 69 andere bedrijven, geeft het belang aan van deze uitgave, die zonder fotografie minder overtuigend zou zijn geweest. Dat is tegelijk ook de kracht van de fotografie, waarvan de objectiviteit ook weer niet overdreven moet worden, kijkend naar mensen op de foto’s die er zo mooi mogelijk bij staan.
Dan levert de nuchtere rapportage van het verhoor van Hendrik Jacobus Versteeg -de toenmalige burgemeester van Zaandam (1878-1894)- door de staatscommissie volgens de wet van 1890 derde afdeling ’de Zaankant’, een onthutsend ’beeld’ maar wel een van meer realiteit. Het dynamische bijna kubistische paneel van de bootwerkers vereniging Eensgezindheid 30 jaar later spreekt ook duidelijke taal, maar dan op een andere wijze, die van de strijd tegen het kapitaal.

Wat er verder gefotografeerd wordt, zijn natuurlijk ongelukken met schepen of verschoven ladingen met de mens in de rol van toeschouwer. De geringe gevoeligheid van het negatief materiaal en de zware houten camera’s op statief laten trouwens geen dynamische reportages toe.
Buiten de documentaire en registrerende fotografie zijn de meeste andere onderwerpen romantisch getint: een nabootsing en voorzetting van de schildersromantiek.
Na de Eerste Wereldoorlog kwam hier zoals op elk gebied verandering in. In dezelfde tijd dat Piet Zwart als eerste in Nederland het medium fotografie in zijn vormgeving toepast volgens de principes van het Constructivisme en de Stijl, werden ook fotografen zoals Emmy Andriesse door hem beïnvloed.
Er ontstond een groep van oorspronkelijk reportagefotografen zonder een specifieke opleiding, vaak sociaal gericht, die zich ging onderscheiden.
Protest en propaganda door middel van foto’s is niet voor niets de ondertitel van “De bewogen camera” door Jan Coppens. Het is een reportage van echte misère tot gefingeerde opstellingen van gesneuvelde militairen in de Frans-Duitse oorlog waarvoor Monet toen naar de Zaandam is uitgeweken.
In navolging van Emmy Andriesse waren er nog een aantal sociaal bewogen fotografen die tenslotte na de Tweede Wereldoorlog toonaangevend werden zoals Ad Windig, Cas Oorthuys en Carel Blazer, verenigd in de nog steeds bestaande fotofederatie GKF. Wij vinden hun namen weer terug in het Gemeente Archief van Zaanstad, zij fotograferen voor de eerste prestige brochures van Zaanse bedrijven. In ’Facetten van boekdruk’ in 1952 uitgegeven door papierfabriek Van Gelder, vind je hun namen ook en hun visie was zeker ook van invloed op de mijne die ik toen nog moest ontwikkelen.
Mijn fotografiedocent is op dat moment de architectuur- en interieurfotograaf Jaap d’Oliveira. Van hem leer ik wat het belangrijkste in een foto is: ’het licht’. Typografie wordt door Charles Jongejans gedoceerd; hij brengt zijn passie voor letters op mij over.
Dolf Kruger, nota bene persfotograaf van het dagblad de Waarheid, heeft voor het bedrijfsleven gewerkt, maar zijn verdienste is vooral zijn fotografie van de mijnstakingen in de Belgische Borinage. Cees v.d. Meulen is de bekendste fotograaf van onderwerpen op zowel volle zee als in drukke havens; denk aan de KNRM Kon. Ned. Redding Mij. en Bureau Wijsmuller, maar hij fotografeert ook schepen in de houthaven van Zaandam.
Ook mag Frits Rotgans niet ontbreken, een specialist die met een aangepaste luchtmacht camera talloze fraaie overzichten maakt.

Ten opzichte van hen die hun sporen al eerder verdienden, voel ik mij, pas afgestudeerd kunstfotograaf in 1958 en na 2 jaar militaire dienst, als ’tussen wal en schip’. Gelukkig ben ik wel de eerste in de Zaanstreek met een veelzijdige kunstopleiding aan het instituut, dat later de beroemde Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam gaat heten. Zonder het op dat moment te beseffen treed ik in het voetspoor van Piet Zwart, iets waar ik pas later achter kom. Verder heb ik het voordeel dat ik indachtig de Zaanse traditie alles aanpak en dus overal inzetbaar ben, later als veelzijdig fotograaf vooral in de Amsterdamse reclamewereld bekend word, want die werkt ook voor Zaanse bedrijven. Het bekendste bureau Prad heeft Honig, Albert Heyn en Forbo Linoleum als klant, Smit’s Adviesbureau maakt advertenties voor Bruynzeel.
Misschien zou hier nog sprake kunnen zijn van een toevallige gelijkenis met kunstenaars uit de 17e eeuw die in Amsterdam hun geluk gingen zoeken.
Maar zover is het nog niet, van begin 60 tot 70 ben ik volop in de Zaanstreek werkzaam voor Staatsbedrijf Artillerie inrichtingen, gigant Bruynzeel, Honig in Koog a/d Zaan en Linoleum Krommenie, de toonaangevende dynamische bedrijven uit die tijd.
Het is de tijd van vernieuwing en uitbreiding en er valt dus veel te fotograferen.
In die periode leer ik de mens achter het werk kennen en raak gefascineerd door vakmanschap.
Niet alleen in de fabriek maar ook daarbuiten op het water krijg ik te maken met sleepbootbemanningen en niet te vergeten met op balkenvlotten balancerende bootwerkers in de houthaven van Zaandam.
Het is immers zo dat bij het uitbeelden van productieprocessen de focus ligt op de handeling in een productieproces en de werknemers daarom een belangrijke plaats innemen. Veel later zal dat aspect weer z’n nut bewijzen als ik -via het eerste in z’n soort bekend geworden bureau Total Design onder leiding van Wim Crouwel, die het Zwitsers design in Nederland introduceerde en Friso Kramer ontwerper van de Revoltstoel van de fa.Ahrend- voor Randstad Uitzendbureau, fotografisch werk ga maken.



Beeldhouwkunst.

Van de ruimtelijke kunst in de Zaanstreek in vroeger tijden moet men geen overdreven verwachtingen hebben; het enige wat me in dit verband te binnen wil schieten is het standbeeld van Czaar Peter de Grote op de Dam in Zaandam en de talloze verzetsmonumenten van na de Tweede Wereldoorlog. De omstreden houtwerker van Militic uit 1960 is in mijn ogen meer curieus dan dat er sprake is van kunst.
Het standbeeld van Czaar Peter is beslist geen Zaans initiatief, maar een cadeau van de laatste Russische Czaar aan Zaandam. Van een beeldhouwtraditie is dus geen sprake, al doet de Beeldentuin aan de Lagedijk 104 in Zaandijk daar aan denken. Die beelden van Italiaanse oorsprong sierden ooit het buitenhuis van de Zaandamse koopman Nicolaas Calff en ze zijn ook door meerdere handen gegaan voordat ze in de huidige situatie rust vonden.
Van een traditie in de beeldhouwkunst wordt pas sprake na de Tweede Wereldoorlog allereerst door de vele verzetsmonumenten die er komen.
Een van de eerste in 1948 van Theo van Reijn, genaamde de ’Bezinning’ te vinden in het Verzets plantsoen van Zaandam, staat nog in de traditie van de Amsterdamse school.
Door gemeenteopdrachten en aankopen, BKR en percentageregeling enerzijds en belangstelling van bewonersgroepen en bedrijven anderzijds groeit het bestand aan beelden gestaag tot de vele honderden van vandaag.
Heel toepasselijk hier is ’Het Achterschip van Czaar Peter’, van Henk Dil 1985 in Zaandam.
Vervolgens is er de tijdloze verwijzing naar de ooit druk bevaren Zaan ook uit1998, die de grens markeert tussen Zaanstad en Wormerland, in een vorm van een boot in Frans graniet.
Ook zijn er beelden toegepast als bruggenhoofd: van Jan Wolkers ’Leda en de Zwaan’ in brons 1954, bij de brug in de Stationsstraat in Zaandam en de ’Roos’ 1990 in staal en glas bij de Den Uyl brug eveneens in Zaandam en ook van Jan Wolkers.
De in beton uitgevoerde tweeling in de Nicolaas Maesstraat in Zaandam van Paul Koning, uit 1957 heeft geen relatie tot het water , maar is curieus als abstraherende gestileerde vorm die doet denken aan de ’Verwoeste stad’ in Rotterdam van Ossip Zadkine.

Van deze tijd en in directe relatie tot het maritieme verleden van de Zaanstreek is het kunstwerk van Jelus Matser genaamd ’het kerkschip’, in opdracht uitgevoerd ter gelegenheid van het Czaar Peter de Grote Jaar 1996 in samenwerking met de Zaanse kunstenaarsstichting Tengel, waartoe ook Joanne Zegers behoort.
Jelus Matser(1946) is beeldend kunstenaar.
Na zijn opleiding tot scheepsbouwkundig tekenaar bij de NDSM in Amsterdam studeert hij twee jaar kunstgeschiedenis en klassieke archeologie aan de Universiteit van Amsterdam tijdens de studie aan de Gerrit Rietveld Academie.
Naast beeldend kunstenaar is hij amateur archeoloog en houdt zich de laatste jaren bijna fulltime bezig met het maken van archeologische reconstructie modellen voor Nederlandse musea.
De overblijvende vrije uren besteedt hij aan vrij werk of deelname aan projecten.
Zijn grote belangstelling voor historische scheepsbouw en scheepsarcheologie is de aanleiding geweest om op het “Czaar Peter project” in te schrijven.
Zijn ontwerp om tot een abstractie van een kerkscheepje te komen wordt voor uitvoering uitgekozen.
’Het kerkschip’ ontstaat uit zijn fascinatie voor het lijnenspel van het 18e eeuwse type koopvaardijschip dat getransformeerd wordt tot een ruimtelijke abstractie van maar liefst 6 x 2 x 1,30 meter, bestaande uit lagen triplexstroken en ingewreven met kobaltblauw droog pigment en onderling verbonden door dunne koperdraden. De bedoeling van de kunstenaar was in zijn woorden: ”Een sacrale transparantie te realiseren verwijzend naar de scheepsbouw”.
Zo zijn we weer helemaal terug in het maritiem verleden van de Zaanstreek.
Deze moderne eigentijdse ruimtelijke interpretatie van het kerkschip staat voor mij tegelijkertijd symbool voor Zaanse durf en ondernemingszin door de eeuwen heen; namelijk om met het doel voor het ogen andere dan de gebaande wegen in te slaan.


Bronvermelding:

-Cornelis Corneliszoon Van Uitgeest Eindredactie W.Dobber en C.Paul
(Uitvinder aan de basis van de Gouden Eeuw)
-Historische Atlas van de Zaanlanden prof. A.v.Braam, mr. J.W.Groesbeek
dr. S.Hart en dr. M.A.Verkade
-Het veranderend gezicht van Noord-Holland Provinciaal Bestuur van Noord-Holland (Beelden van dorpen en steden, water en land uit de provinciale atlas)
-De Hollandse Steden P.G.Kuyk
(een handels en Industriestreek van betekenis)
-Gedenkboek Zeehaven Zaandam Kamer van Koophandel Zaandam 1911
-Ontstaan, groei en ontwikkeling van de Zaanse Industrie Stichting Voorlichting Zaanstreek
-De Zaanstreek mr. D.Vis
-Adieu Zaandam Gemeente Zaandam 1973 W.Klinkenberg

-Eeuwige Schoonheid E.H.Gombrich

-Kunst zonder Rugwind drs.H.J.Heijnen, P.Helsloot, J.P.Woud
(Zaanse Schilderkunst 1600-1950) en K.Woudt
-Monet The Masterworks Jean-Paul Crespelle
-Dromen van Holland H.Kraan en I.Brons
(Buitenlandse kunstenaars schilderen Holland 1800-1914)
-In het spoor van Heijenbrock W.Buitelaar, R.Vreeman en M.Pellanders
-Kunst die partij koos A. van der Blom
-De bewogen camera Jan Coppens
(Protest en propaganda doormiddel van foto’s)
-Charles Sheeler and the Cult Karen Lucic
-Met Stoom/Anno 1961 Uitgave Oktober 1993 De historie van de Zaanse Verfindustrie
-Facetten van boekdruk N.V.Van Gelder Zonen D.Elffers, C.Pels en Meijer
-Grafische Technieken M.Buddemeijer, H.van der Eng en S.Suk

Met dank aan:
Ing.W.L.Dorenbos - Zaandijk
Jelus Matser - Zaandam
Fam. Segveld - Wolvega (Fr)
Leo van Viegen - Zaandam
S.Visser- Zaandam
Joanne Zegers - Zaandijk