Vrouwen op het platteland rond twee wereldoorlogen

Het was beslist geen idylle op het platteland, door seizoens- en weersinvloeden eigenlijk slechter als in de stad.
Het heeft alles te maken met de lonen, dat eerst kinderen aan het werk gezet worden en daarna de vrouwen die het helft van de mannen verdienen. De mannen komen daarom het laatst aan bod. Zo'n werkeloze man doet dan wat rond het huis terwijl de vrouw met de kinderen op het veld werken. Door kou of regen ongezonde veldarbeid die daarnaast ook nog een keer een nadelige invloed op het huisgezin heeft.
Na tien of meer uur op het land ook nog moeten zorgen voor eten en drinken te en verstellen van versleten of kapotte kleding, laat staan van het netjes houden van huis en meubels.
Hoewel er door wetgeving wel verbetering in het lot van de vrouw en niet te vergeten de kinderen komt blijft de afhankelijkheid van de de landarbeidersgezinnen nog lang doorwerken.

GEPKE EEN FRIESE BOERENDOCHTER

Ook op het Friese platteland in de 1e helft van de vorige eeuw was trouwen en voor de kinderen zorgen verwachting en perspectief tegelijk.
Voor persoonlijke ontplooiing en andere ambities was geen plaats

Gepke geboren in 1909 en oudste dochter van een kleine boer, opgeklommen uit de arbeidersklasse hadden een boerderijtje van de plaatselijke adel in Beestwerzwaag gepacht.
Een gemengd bedrijf, met vijf koeien, enkele varkens, een paard en een perceel bouwland waarop aardappelen, rogge en tarwe geteeld werden.
De ouders werkten hard, er was geen personeel, de vader werkte soms voor een andere boer en verrichte vepplichte hand en spandiensten voor de landheer.
De sociale structuur van Beestzwaag in de Friese wouden, regio met arme zandgronden, was geen doorsnee dorp. De aanwezigheid van het gemeentehuis en kantongerecht, maakte dat er nogal wat ambtenaren woonden. Verder hadden een viertal adellijke families daar hun landhuizen en bezaten een sterke machtspositie in het dorp.
Er was sprake van van maar lefst 6 klassen; de laagste bestond natuurlijk uit de arbeidersbevolking, gevold door resp. De kleine boeren, ambtenaren, grote boeren, middenstanders van het dorp en daarboven uiteraard de adel.

Gepke en haar zus Froukje hielpen hun moeder bij de was, koken en schoonhouden van het huis. Na schooltijd kwam daarbij de verzorging van kleinvee en koeien melken. In de hooitijd brachten ze eten en drinken naar het land. Daarnaast zoals alle meisjes leerden ze al vroeg breien. Dat was het dagelijkse ritme en voorbereiding van wat later onafwendbaar zou volgen.
Alleen Gepke zag dat anders en bleek ook de wilskracht te hebben om andere uitdagingen aan te gaan.
Dat was maar goed ook want ze wilde geen boerenmeiden werk doen en als meisje haar vader opvolgen mocht niet. Haar ouders steunden haar niet om verder te leren en werden op hun beurt weer gekritiseerd vanuit het dorp, vooral door diegenen die wat hoger op de maatschappelijker ladder stonden. Het was immers niet gepast dat een dochter van een arbeider of kleine boer na de lagere school meer onderwijs zou volgen.

Gelukkig was de hoofdonderwijzer niet ontgaan dat Gepke verder wilde leren, ze kon immers goed meekomen op school.
Haar ouders wilden dat ze na de zesde klas van de lagere school thuis zou komen helpen op de boerderij of bij een andere boer.
Deze hoofdonderwijzer was z’n tijd vooruit, vond dat wie verder kon ook de gelegenheid daartoe moest krijgen en wist als autoriteit Gepkes ouders te bepraten
Vader tekende tenslotte voor accoord om zijn oudste dochter in klas zeven en acht door te gaan als voorbereiding op de kweekschool.
Haar klasgenoten waren voornamelijk meisjes uit de “betere” kringen, dochters van ambtenaren, grote boeren en middenstanders waren de 7e en 8e klas goed genoeg, nog meer opleiding was aan jongens voorbehouden.
De dochters van de Beesterzwaagse elite waren hierop een uitzonderering, de boerendochters gingen naar de landbouwhuishoudschool.

Na klas 8 was Gepke 14 jaar en mocht als enige toelatingsexamen voor de Rijkskweekschool in Drachten doen en slaagde hiervoor.

De overgang naar de Rijkskweekschool viel niet mee, elke dag 7 km. heen en weer, thuis blijven helpen en daarna huiswerk maken. Ze werd aanvankelijk een buitenstaander doordat er geen tijd meer voor het sociale leven in het dorp overbleef en ze had daarbij nog geen kontakt met de leerlingen op school gemaakt.
Toch ging het goed met de studie en kreeg Gepke nieuwe vriendinnen en behaalde na vier jaar in 1928 de akte voor onderwijzeres. Het solliciteren bij de openbare scholen in de omtrek verliep moeizaam, allereerst door de economisch ongunstige klimaat en na proeflessen bleek vaak dat een ander door voorspraak de baan had gekregen.
Zonder “kruiwagen”dus lastig om aan betaald werk te komen, maar na 2 jaar vrijwilligers- en tijdelijk werk, had ze toch een vaste baan aan een school in Zwaagwesteinde.
Ondanks dat dit dorp in de Wouden wel een agrarische bevolking had, was het toch een minderheid ten opzichte van de de omliggende heide met zijn arme heidebewoners bestaande uit arbeiders en ventersgezinnen.
Gepke werd benoemd op de een van de twee openbare scholen, die aan de rand van de heide.
Deze school met weinig aanzien en aan het hoofd meester Sikkema, was actief in de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij), wat ook haar politieke positie in het dorp bepaalde.

Dat werd ook de rode draad die door haar verdere leven zou lopen. Het opkomen voor de armsten en leiding geven in de socialistische vrouwenverenigingen, waar ze juist door haar volharding om zich aan het oude patroon te hebben ontworsteld, bij uitstek op haar plaats was.
Na op verschillende scholen als onderwijzers te hebben gewerkt, trouwde ze in 1942 met een onderwijzer die later leeraar werd aan een middelbare school.
Gepke bleef na haar huwelijk werken, wat toen zeer ongebruikelijk was want ze verloor daardoor haar vaste baan, maar kon wel als tijdelijke kracht aan andere scholen terecht.
Ze stopte wel tijdelijk toen haar twee kinderen klein waren, maar ging daarna weer aan de slag als lerares in het huishouonderwijs in Noord-Holland en bleef haar verdere leven actief in de socialistische vrouwenbeweging. Persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing voor vrouwen, waarvoor ze ooit zelf grote offers had gebracht, vond ze immers van het grootste belang.
Al met al een geweldige prestatie voor een vrouw en vooral in die tijd om huwelijk, kinderen en werk te kunnen combineren. Dat in een tijd en vaak nu ook nog waar men vind dat vrouwen in de eerste plaats echtegenote en moeder horen te zijn . Ze was haar tijd ver vooruit en wat mij betreft een standbeeld waard.

bron: Vrouwen van het land - Anderhalve eeuw plattelandsvrouwen in Nederland.
Uitgave, De Walburg Pers