Petten, een Noord-Hollands dorp rond de 2e wereldoorlog

Algemeen.

Voor de tweede wereldoorlog en nog lang daarna was er geen busverbinding met Alkmaar, je moest eerst naar het Noord-Hollands kanaal (Burgerbrug) voor de bus Den Helder Alkmaar.


Bevolking.

De mannen werkten voornamelijk als steenzetters aan de zeewering, de vrouwen waren soms werkster of bij de boer om iets bij te verdienen.
Bij werkeloosheid werd er gestempeld, voorbeeld: gezin met 6 kinderen, 11 gulden per week (daar ging ook overtollige kleding naar toe).
Een schuur bij het café werd als stempellokaal gebruikt, daar stond men dan in de rij.


Middenstand.

De winkel van mijn vader had behalve alles op het gebied van kleding ook een benzine pomp. Met de eigen auto werden er mensen naar de bus of het station in Alkmaar gebracht. Ook werden aanstaande bruidsparen in de auto naar Amsterdam gereden voor de uitzet.
Textiel kwam ook uit Amsterdam; de Vries v. Buren, S.I.de Vries en Weyers.
11 jaar oud ging ik met het het boekje rond om de boodschappen op te nemen, liep ook op het bestraatte paardenpadje in het midden van het kerkepad met de grijze oliebus met tuit en kurk gevuld met petroleum.
Er waren diverse levensmiddelen winkels: Jacob Timmerman, Pettema Kluft, een Spar winkel bij het raadhuis en nog een snoepwinkeltje.
Buiten het dorp werden schoenen verkocht en herstelt in het woonhuis van de fam. Tholen afkomstig uit Amsterdam en er was nog ergens aan de dijk een adres voor klompen.
Greetje Doorn was een dochter uit een groot bakkersgezin, maar vader was overleden en mijn broer runde de bakkerij, zij ging met de broodmand net als ik zelf lopend door het dorp.
Voor koopjes ging men ook naar Alkmaar.


Reddingboot.

Met paarden de zee in of redding via de ‘broek; vanaf een stellage waar een lijn naar het
schip in nood werd overgeschoten.


Kleedgedrag.

Petten was geen kerks dorp, wel ging de enige katholieke boer samen met een ander katholiek gezin ‘in de steun’ en 3 zoons en 4 dochters telde, in hetzelfde rijtuig naar de kerk in Burgerbrug 8 km verder.
In het algemeen droegen mannen petten of op zondag naar de kerk een hoed en vrouwen een gehaakte of gebreide omslagdoek, die bij regen of kerkbezoek gedeeltelijk over het hoofd gedragen werd. Vaak op zon- en feestdagen was slechts de dagelijkse kleding voorhanden, maar dan wel schoon.
Op de overige dagen werd werkkleding gedragen, confectie of zelf gemaakt.
Overalls of manchester broeken voor mannen. Verder een boezeroen, een korte kiel met lange mouwen die zowel als onderkleding of als bovenkleding dienst deed. Truien droeg men, maar geen oliegoed.
De onderkleding bestond uit een baaien hemd gemaakt van een dik en grof weefsel, lijkend op molton, meestal donkerrood, maar ook bruin, geel of blauw geverfd. Van dit materiaal werden ook vrouwenrokken gemaakt.
De vrouwen droegen rokken en blouses of jurken met een boezelaar of jasschort.
De kinderen, tot dat ze uit werken gingen, droegen korte broeken tot de knie.
Wat betreft kousen en sokken, waren het sajet sokken, gemaakt van garen gesponnen uit ongekamde wol, en sterker als gewone sokken. Voor vrouwen zijden kousen die ladderden of gebreide geribbelde kousen, een recht en een averecht of fil de corse, van iets betere kwaliteit.
Voor de kinderen waren er zwarte kniekousen met gekleurde omslag en sokken. Iedereen liep op blanke klompen, die het goedkoopst waren. Je kon meestal zien wie er thuis was, want ze stonden bij de achterdeur.

NB een mooi voorbeeld hiervan is te zien op de website over Petten van Frans Vriendjes met als toepasselijke naam “Petten op klompen”


Wat er verkocht werd in de winkel van Lies Hoogwouts vader.

Allereerst stofen om zelf kleding te maken of laten maken:
rood baaien stof,
wolflanel,
keper;een stof met weefpatroon van diagonale strepen,
katoen voor lakens en slopen,
pilo; gekeperde stof half linnen, half katoen voor een waterdichte kiel en broek van de dijkwerker
en neteldoek; mouseline, een losgeweven katoen, wol of zijde, maar in dit geval katoen om de muggen weg te houden en bij de kaasbereiding.

Voor het stop en verstelwerk, weggooien was er niet bij, men was zuinig en kleding was duur.
Verstelde kleren waren geen teken van armoede, in tegendeel, eerder een aanbeveling.
Waren de mouwen van een jurk versleten of te veel versteld, dan knipte men de mouwen er af, de hals werd verwijd en werd het een overgooier met daaronder een blouse of mannenhemd.
Op school leerden de kinderen al sokken breien, een goede investering want op klompen sleten ze snel en de moeders hadden toch al hun handen vol met wassen, strijken en verstellen, naast al het andere huishoudelijk en buitenshuis werk.

Voor al dat werk vond je in de winkel; garen,band,vingerhoeden,haak en breinaalden op nummer, haak en borduurgaren.

Verder vond je er washandjes en handdoeken, theedoeken en tafellakens., maar ook zeep en wasmiddelen.
Je had immers geen wasmachines, maar de vuile was werd nadat de vlekken met groene zeep waren ingesmeerd gekookt in de wasketel met een sop van sunlightzeep in een klopper aangemaakt.
Om de was in de ketel op het vuur te keren gebruikte je een kooktang.
Die methode heeft nog tot omstreeks de vijftiger jaren geduurd, toen er langzamerhand meer geld te besteden was. Tot die tijd was het normaal dat zondagavond al de was werd ‘opgezet’ en in de keuken de ramen beslagen waren van de de dampende wasketel op het fornuis. Op maandag was het wasdag dan werd de was op een wasbord flink heen en weer geschrobd gespoeld en daarna opgehangen of als er ruimte was op het bleekveld uitgespreid. Alles bij elkaar een natte boel waar de klompen weer een uitkomst boden.

Het was een overzichtelijke tijd; kleding kocht je zelden of maakte je zelf en het zondagse pak was je trouwpak waar je een leven lang mee deed. Weggooien deed je zelden, maar vermaken, verstellen en stoppen wel, dat was zelfs het bewijs van een degelijk huishouden.
Had je er een moestuin bij, of een geit voor de melk dan kwam je een heel eind.
Een erg gemakkelijk leven lijkt dat, maar dat is uiterlijke schijn en valse romantiek van latere generaties die weer naar die tijd van vroeger verlangden en zelfs uitprobeerden. De klompen kwamen weer te voorschijn en de broeken, nu spijkerbroeken werden vaak prachtig versteld.

Uit een interview met Lies Hoogwout - Kossen.

bronnen:
-interview: Lies Hoogwout - Zaandam
-titel "Petten op klompen": Frans Vriendjes - Petten
-foto's: fotocollectie Wil Janssen - Camperduin
-Kleding in Nederland 1813-1920 - K.P.C. De Leeuw

voor meer informatie:
surf naar de site van Frans Vriendjes met zoeknaam "PETTEN OP KLOMPEN"