Vervoer en gebruik van hout in Nederland.

DUITS HOUT
Al in de Romeinse tijd was er al sprake van houtaanvoer uit Duitsland en tijdens de Middeleeuwen kwamen houtvlotten via de belangrijkste rivieren in ons land binnen.
Uit onderzoek van gebouwen in Utrecht en Deventer blijkt dat daar in de 13 en 14e eeuw, hout werd toegepast afkomstig uit de Alpen en Zuid-Duitsland. Een goedkope en vaak enige wijze van transport. Het vervoer per schip uit Duitsland speelde een betrekkelijk mindere rol en gebeurde met het toen grootse binnenvaartschip, de Samoreus of Keulenaar.
Via de rivieren Würm, Nagold en Enz werd het naaldhout getransporteerd naar Pforzheim aan de rand van het Zwart Woud, dat in de 14e eeuw het centrum voor gevlot naaldhout was en via de Neckar en de Rijn doorgevoerd naar de stapelplaats Dordrecht. Het stapelrecht van 1299 gaf Dordrecht het alleenrecht om alle houtaanvoer via Rijn en Maas te verhandelen. Tolregisters in de 17e en 18e eeuw laten zien, dat er toen nog steeds grote hoeveelheden hout naar de Zaanstreek, Amsterdam en Rotterdam werden vervoerd.
In het begin van de 18e eeuw werden er langs de Rijn een aantal Holländer Holz-Floss-compagniëen gevestigd, die het transport verzorgden van Rijnvlotten met een lengte tot meer dan 320 meter, breed 50 meter en 2 m. 20 diep.
Het Duitse hout was zeer populair in ons land en werd voornamelijk gebruikt als constructiehout voor huizen en schepen.

TRANSPORT OVER ZEE
Voor van uit landen overzee hout aan te voeren was ander transport nodig en dat gebeurde met schepen van het type “Fluit”, een schip met een smal dek en een hoog oplopende boeg en achterschip. De romp was bol en buikig, waardoor de laadruimte extra groot werd. Dit type was onstaan in het begin van de 16e eeuw en werd in 17e eeuw een groot succes en bezorgde Nederland de titel ‘vrachtvaarders van Europa’. De lichte bouw en eenvoudige tuigage waren ook zeer innovatief, waardoor er met aanzienlijk minder bemanning volstaan kon worden. Aangezien tol meestal geheven werd op basis van de afmetingen van het dek leverde dat ook nog extra voordeel op. Ze waren bovendien bijna onbewapend wat eveneens de ladingcapaciteit vergrootte en oorlogsschepen zorgden voor bescherming. Dat maakte de Fluit ook populair onder doopsgezinde zeelui uit Noord-Holland, Friesland en de Waddeneilanden. Hun geloof verbood het om wapens te hanteren. De vaart op de Noord en Oostzee en de Britse eilanden was vrij veilig en eventueel enteren was lastig als gevolg van de bolle rompvorm en het smalle dek. Schepen die met bestemming Noorwegen hout haalden hadden daarvoor in de romp een groot luik om de lading die bestond uit masten en balken in te kunnen nemen, een uitneembaar stuk romp dat naderhand met bouten weer op z’n plaats werd gezet en vastgemaakt en waarvan de naden dicht gebreeuwd werden.

BALTISCH HOUT
Aanvoer van hoogwaardig Baltisch hout was tot in de 2e helft van de 17e eeuw zeer belangrijk.Het werd gekapt in de bossen langs de rivier de Vistula en zij-riviren in het tegenwoordige Polen en Wit-Rusland. Uit tolregisters blijkt dat het al vooraf bewerkte hout als vlotten de haven van Dantzig bereikte.
De homogene kwaliteit en fijne nerf van het Pools/Baltische hout werd zeer gewaardeerd in de Hollandse scheepsbouw. Het leende zich goed voor het splijten in huidplanken en de bewerking van beelden.
Hanzestad Danzig was tot het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) de belangrijkste uitvoerhaven en moest als gevolg van de Noordse Oorlog (1655-1660) tussen Polen en Zweden zijn plaats afstaan aan Riga en Konigsberg (tegenwoordig Kalinigrad in Russisch gebied) .
Het gevolg was dat hierna het Poolse hout niet langer direct beschikbaar was voor de markten in westelijk Europa.
Dat blijkt o.a. uit Spaans archiefmateriaal; hierin staat beschreven dat kleine partijen uit Riga naar Lübeck verscheept werden en door Vlaamse handelaren als ‘Pruisisch’ grenen aan Spanje geleverd werd in de vorm van masthout.
Pas in de 18e eeuw was er weer sprake van ‘Riga’ grenen dat door Nederlandse schepen gehaald en naar Spanje vervoerd werd. In de Nederlanden toegepast als eikenhouten schotten in de scheepsbouw en naalhout voor masten en molenwieken.
Gebleken is dat het grenenhout als vlotten over de rivier de Daugava naar Riga vervoerd werd en het grovere naaldhout via de Dnjeper uit Wit Rusland.
In Zaandijk zou indertijd voor huizenbouw ‘Russsisch’ gebruikt zijn afkomstig van terplaatse afgeschreven en gesloopte schepen, hoewel dat niet dendrochronologisch bewezen is

SCANDINAVISCH HOUT
Voor de Nederlanden was aanvankelijk Noorwegen gedurende de 15e en 16e eeuw de belangrijkste houtleverancier met de Hollandse scheepsbouw als de belangrijkste afnemer.
Tot wel 65% van de Noorse uitvoer in de 17e eeuw kwam in de Nederlanden terecht in de vorm van onbewerkt eiken- vuren en grenenhouten delen, balken en masten.
Een mooi voorbeeld is het onderzoek aan de vurenhouten funderingspalen van het Maritien Museum van Amsterdam. Het laat zien dat alle palen uit het zuiden van Noorwegen afkomstig zijn en in het midden van de 17e eeuw werden gekapt.

Bron:

-Houtbewerking en materialenkennis voor vakonderwijs – 1946
-Schepen van de Gouden Eeuw – uitgave van het Scheepvaartmuseum Amsterdam door Walburg Pers
-www.bataviawerf.nl
-www.vakbladvitruvius.nl
-Vaartips Nederland – Cees van der Rest