Het landschap als weermiddel

Dit merkwaardige landschap had in militaire zin ook een bijzondere betekenis. Het kon relatief gemakkelijk worden ingeschakeld voor defensie. Agressie van de ene groep mensen tegen de andere heeft veel biologische en sociologische componenten. In de loop der mensheid lijkt er een proces te ontwaren waarbij de menselijke agressie steeds meer op de buitenwereld wordt gericht. Dit om coöperatie binnen de groep beter mogelijk te maken. De schaalgrootte van krijgshandelingen nam geweldig toe. Dat betekende dat ook de verdediging tegen aanvallers steeds grootschaliger moest worden. In de middeleeuwen komen men nog volstaan met een vluchtburcht of citadel bij de steden. Deze citadels waren ontstaan in de Indus vallei en hadden zich vandaar via het Midden-Oosten verspreid naar de landen van de Klassieke oudheid. De citadel raakte bekend onder verschillende namen: Acropolis, Kremlin, Alcazaba. Andere namen zijn stadskasteel of stadstoren zoals de Londense Tower. Zo’n citadel werd beschermd door muren en een gracht. Zo’n citadel had een permanent karakter. Dit in tegenstelling tot verdedigingslinies die afhankelijk van de militaire omstandigheden konden worden ingericht. Een groot deel van west Nederland vormde in feite sinds de zeventiende eeuw een citadel. Het landschap speelde daarin een bijzondere rol.

Water is strijdmiddel.
Tijdens de opstand tegen de Habsburgers, die bekend staat als de Tachtigjarige oorlog, speelde water een rol als strijdmiddel. Nadat de Watergeuzen in 1572 Den Briel hadden ingenomen, werden polders onder water gezet om een Spaanse tegenaanval te verhinderen. Tijdens het beleg van Alkmaar (1573) en van Leiden (1574) speelde het onderwater zetten van polders een rol bij het opbreken van het beleg. In 1629 hadden de Spaanse verdedigers van ’s-Hertogenbosch de landerijen om de stad geïnundeerd. Het Staatse leger onder leiding van stadhouder Frederik Hendrik heeft een deel van dat gebied drooggelegd. Dat gebeurde met rosmolens. Daarbij speelde de waterbouwkundige Leeghwater een rol. Overigens was deze techniek al een eeuw er voor bekend bij de Italiaanse vestingbouwers van Keizer Karel V. Rosmolens behoorden toen al tot de standaard uitrusting van militaire ingenieurs. In 1589 was al een plan gemaakt voor een Hollands-Utechtse waterlinie. Toen de vijandelijkheden met de Spanjaarden zich verwijderden van het Hollands-Utrechtse gebied naar Brabant en Gelderland was deze linie minder urgent. In 1624 rukten de Spanjaarden op via de Veluwe. Toen werd de waterlinie weer actueel. In 1629 probeerden de Spanjaarden Frederik Hendrik weg te lokken bij ’s-Hertogenbosch door een aanval op de Betuwe, Gelderland en Amersfoort. In allerijl werd water uit de Lek en de Zuiderzee binnengelaten in de laag gelegen landen van Holland en Utrecht. Omdat het Staatse leger de stad Wezel in handen kreeg, moesten de Spaanse troepen snel terugtrekken en werd de waterlinie niet beproefd.

Een permanente verdedigingslinie
In 1672 was de Republiek in ernstig gevaar. De troepen van Lodewijk XIV vielen binnen. Slechts met moeite konden de Fransen bij de waterlinie tegengehouden worden. Er was een Hollandse waterlinie die van Muiden via de Hinderdam, Woerdens Verlaat, Gouda, de Krimpenerwaard en de Vijfherenlanden naar de Merwede liep. En ten zuiden van de stad Utrecht liep een waterlinie naar de Lek. Door de winter konden de Fransen over het ijs tot Woerden komen. Uiteindelijk hield de republiek zich staande. Na 1674 werd gewerkt aan een permanente Hollands-Utrechtse waterlinie. Men begon met de aanleg van fortificaties op de plaats van accessen. Een acces is een doorgang in een defensielinie; bijvoorbeeld een rivier of een weg op een zandrug. Oudewater en Nieuwpoort aan de Lek werden in de linie opgenomen. Naarden was de grootste vesting in de linie. Aan de zuidzijde werd Gorinchem een belangrijke vestingsstad. In de loop van de 18de eeuw werd de waterlinie verwaarloosd. In 1787 kon de Pruisische koning Friederich Wihelm II met een verrassingsaanval tot in het hart van de republiek doorstoten om zijn zuster Wilhelmina te hulp te komen. Het in gereedheid brengen van de waterlinie met inundaties kostte te veel tijd.
De les werd getrokken om de linie naar het westen te verleggen. De Diefdijk in de Vijfherenlanden werd een hoofdverdedigingslinie. In 1794 kwamen de Fransen, maar die liepen vast in Brabant. Een jaar later kwamen ze terug. De waterlinie was in gereedheid gebracht, maar een strenge winter maakte de waterlinie onbruikbaar, want zelfs de grote rivieren waren dicht gevroren.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie
Tijdens zijn bezoek aan Nederland in 1811 stelde Napoleon zich uitvoerig op de hoogte van de sterkte van de waterlinie. Er werd een verbeterde waterlinie van de Zuiderzee naar de Waal ontworpen. Van Nederlandse zijde waren daarbij betrokken generaal Cornelis Kraijenhoff en de waterbouwkundige Jan Blanken. Maar pas onder koning Willem I zou een begin worden gemaakt met de verbeterde waterlinie. Men ging spreken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Rond Utrecht werd begonnen met nieuwe verdedigingswerken. Maar ook met de aanleg van torenforten. Dat was eigenlijk een concept dat nog kwam van Napoleon. Deze lagen bij accessen in de waterlinie zoals fort Honswijk aan de Lek en fort Asperen bij de Linge.
Tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870 waren de forten op volle sterkte bemand. Uit evaluatie van deze oorlog kwamen heel wat aanbevelingen voort. Er moest een goede bevels- en communicatiestructuur komen. Kolonel-ingenieur Kromhout kreeg opdracht hiervoor een plan te maken. Door het gebruik van getrokken geschut (met een inwendige spiraal in de loop) kon men veel nauwkeurig en verder schieten Er moesten ook veel meer bomvrije ruimtes komen. Rond de torenforten werd een contra-escarpe aangebracht. Er kwam een nieuwe kring forten om Utrecht en ook voor Naarden werden op afstand nieuwe vestingwerken aangebracht.
In 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd en de vestingwerken moesten opnieuw worden aangepast. De forten waren niet tegen de nieuwe wapens bestand. Het geschut en de manschappen moesten nu verspreid tussen de forten worden opgesteld. De forten werden nu infanteriesteunpunt.

Vanaf 1883 werd de Nieuwe Hollandse waterlinie uitgebreid met de stelling Amsterdam, een grote kring van forten om Amsterdam. De Nederlandse citadel werd teruggebracht tot de stelling Amsterdam.

De eerste wereldoorlog en de inundaties.
De bedoeling van inundatie was dat deze gebieden niet te doorwaden waren door mens of dier, maar ook niet te bevaren. Onder de waterspiegel waren sloten, greppels en andere hindernissen. In 1859 duurde het 26 dagen voor de inundaties voltooid zouden zijn. Men zocht naar middelen om dit te versnellen. Een manier was om de waterinlaten stroomopwaarts te verplaatsen. Omdat de bodem niet overal op gelijke hoogte lag, was men gedwongen van een kommenstelsel gebruik te maken om te zorgen dat de inundatiehoogte steeds tussen de 30 en 60 cm zou zijn. De inundatiestrook tussen Muiden Gorinchem was 85 km lang en gemiddeld 5 km breed. De hele infrastructuur voor de inundaties was net zo gecompliceerd als alle werken die in vredestijd voor ontwatering moesten zorgen. Er is wel gesteld dat de Nieuwe Hollandse Waterlinie het grootste infrastructurele werk van Nederland was. Het kan wat dat betreft concurreren met de Zuiderzeewerken en de Deltawerken. In 1908 had de Duitse generale staf een geheime studie van de waterlinie gemaakt. De forten stelden niet veel voor, maar als de inundaties op tijd waren dan was Holland praktisch onoverwinnelijk. De waterlinie heeft dus mogelijk een rol gespeeld in het feit dat Nederland buiten de eerste wereldoorlog bleef. Toen de Duitsers door Vlaanderen trokken waren de Belgen net op tijd op om bij de Yzer op geïmproviseerde wijze hele gebieden te inunderen. Het bleek een effectief middel om de Duitsers tegen te houden.

De tweede wereldoorlog en de waterlinie
Het interbellum was een ingewikkelde periode. Door de economische crisis was er onvoldoende geld beschikbaar voor defensie. De neutraliteitspolitiek werd door meeste Nederlanders gezien als een morele en niet zo zeer als een politiek-pragmatische oplossing voor de rol van Nederland in de wereld. De vraag achteraf is of een van de Europese machtsblokken geaccepteerd zou hebben als Nederland zich tot een van kampen bekeerd zou hebben. Toen Nederland ten slotte herbewapende wisten de Duitsers in 1939 heel effectief de aflevering van geschut te traineren. De waterlinie had in mei 1940 geen luchtafweergeschut. Er werden in het interbellum wel voortdurend aanpassingen aan de waterlinie gemaakt. Zo werd in 1936 een soort beweegbare stuw gebouwd waar een nieuwe autoweg ( nu de A2) de Diefdijk doorkruiste. Bij IJmuiden werd een enorme bomvrije inlaat- en spuisluis gebouwd. Bij Jutphaas werd een enorme betonnen bak over het Amsterdam Rijn kanaal gebouwd. Deze ´plofsluis’ kon met een springlading worden geopend zodat het Amsterdam-Rijn kanaal geblokkeerd kon worden. De vijand kon het kanaal dan niet gebruiken om de inundaties leeg te laten lopen.
In februari 1940 was er een hooglopend conflict in Nederlandse legerleiding. Generaal Reijnders wilde de hoofdverdediging bij de Nieuwe Hollandse waterlinie leggen. Winkelman wilde bij de Grebbelinie de Duitsers opvangen. Winkelman won, maar in mei 1940 was de Grebbelinie nog niet klaar. Met name het bomvrije gemaal dat de inundatiegebieden moest volpompen, was nog niet klaar. Bij de Grebbelinie is heftig gestreden. Maar Nederland verloor de oorlog in Brabant waar de Duitsers door het acces Mill in de Peel-Raam stelling braken. Ze maakten gebruik van een pantsertrein die over de spoorbrug bij Gennip reed, nadat deze brug door Duitsers en Nederlandse verraders in Nederlandse militaire uniformen was veroverd.
Na de doorbraak bij Mill trok het Nederlandse leger zich terug uit Brabant. De hoofdrichting van de Duitse aanval ging door Brabant via Dordrecht naar Rotterdam. Het terreurbombardement kwam nadat men in Rotterdam al te kennen had gegeven dat men de strijd wilde staken.

De Duitsers hebben in 1944 veel gebieden van Nederland onder water gezet om de geallieerde opmars via Nederland naar Duitsland onmogelijk te maken. Behalve de Nieuwe Hollandse waterlinie en inundatiegebieden van de stelling Amsterdam zoals een deel van de Beemster en het gebied tussen Assendelft en Beverwijk, stonden ook de Betuwe, de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden en nog talloze gebieden onder water. Dit zal zeker aan de verergering van de hongerwiner 44-45 hebben bijgedragen. Ook de geallieerden gebruikten water als strijdmiddel met door bombardering van de Westkapelse zeedijk. Zo probeerde men de Duitsers van Walcheren te verdrijven zodat de haven van Antwerpen als aanvoerhaven gebruikt kon worden.

Zelfs na de tweede wereldoorlog was water nog een verdedigingsmiddel. Bij de oprichting van de NAVO in 1949 was de oostelijke verdedigingsgrens de IJssellinie. Daar waren zulke enorme hoeveelheden water voor nodig dat men drijvende stuwen heeft gebouwd die in tijd van crisis de rivieren zouden kunnen afsluiten. Nadat Duitsland in 1955 tot de NAVO toetrad, werd de Elbe de oostelijke verdedigingslinie. Vanaf 1963 raakte de waterlinie zijn militaire functie kwijt. Wat het belang van de waterlinie is geweest, blijft speculeren. Studies van potentiële tegenstanders laten zien dat men weinig genegen was in een dergelijk gebied te gaan opereren. Pas de komst van transporthelikopters maakte het gebruik van inundaties volledig uit de tijd. Dus de waterlinie heeft mogelijk een rol gespeeld bij het handhaven van de neutraliteit en heeft de functie van nationale citadel waargemaakt.
Grote delen van de waterlinie zijn nog te vinden; als monument, als natuurgebied, onderdeel van ecologische verbindingszones of voor hergebruik als galerij, restaurant of wijnhandel. Er zijn talloze fiets- en wandelroutes. Het is een van de Nederlandse landschapsparken geworden.

Literatuur:
Chris Will, “Sterk water. De Hollandse waterlinie” (Utrecht, 2002)
“Water ter verdediging. Vestingbouwkundige bijdragen 1993” ( ’s-Gravenhage, 1994)
Douwe Koen, “De Hollandse Waterlinie. Cultuurhistorische routes in de provincie Utrecht. “ (Amsterdam, 1993)