IJzergieterijen langs de Oude IJssel

Er zijn weinig gebieden waar drie eeuwen industriële ontwikkeling zijn te volgen. De streek langs de Oude IJssel in de Achterhoek kent al ijzergieterijen vanaf 1689 toen in Rekhem een hoogoven en een ijzermolen werden gesticht. Momenteel zijn er nog vier gieterijen actief in deze streek. De eigenaren van de eerste ijzermolens en hoogovens maakten gebruik van lokaal beschikbare ijzeroer, houtskool en waterkracht. Ook konden de beken worden gebruikt voor transport. Het bedrijf uit Rekhem werd in 1794 naar Laag-Keppel verplaatst. In 1754 werd in Ulft een ijzermolen opgericht die later in handen kwam van de families Diepenbrock en Reigers. Later werd het bedrijf bekend onder de naam DRU. In Langerak werd in 1894 de ijzergieterij Vulcanus opgericht die nog in bedrijf is, evenals de gieterij Lovink (1911) in Terborg. De hoogovens zijn al in de 19de eeuw gesloten. De gieterijen verwerkten voortaan piekijzer ( pig iron) van hoogovens in Engeland en Duitsland in hun koepelovens. Houtskool werd vervangen door cokes. Watertransport werd vervangen door rail transport via spoor- en tramweg. Het productiepakket veranderde van mortieren en haardplaten in huishoudelijke producten zoals badkuipen, gas- en kolenfornuizen, putdeksels etc. Daarnaast werd er metaalperserijen en emailleerinrichtingen in gebruik genomen. Na de tweede wereldoorlog werden in toenemende mate onderdelen voor de auto industrie en landbouwwerktuigen gemaakt. Hierbij werden hoge kwaliteitseisen aan de gieterijen gesteld. Dat leidde er toe dat het gieten van een ambachtelijk proces veranderde in een geautomatiseerd industrieel proces. De gieterijen werden leveranciers van componenten.
De ijzergieterij langs de Oude IJssel was een typische plattelandsindustrie die ontstond door gunstige vestigingsfactoren zoals de beschikbaarheid van ijzeroer en houtskool. Ook over de Duitse grens in Isselburg en omgeving werden ijzermolens gesticht. Er waren de bekende conflicterende belangen tussen de eigenaren van ijzermolens die een hoge waterstand op beken wilden en de boeren die juist laag water wilden. Er waren conflicten met de lokale grootgrondbezitters en met de schippers. Maar dynastieën van ijzerfabrikanten en een arbeiderscultuur van ambachtelijke ijzergieters hebben het mogelijk gemaakt dat de gieterijen bleven toen de oorspronkelijke gunstige vestigingsfactoren waren verdwenen.
Het boek is geschreven om een leemte in de Gelderse geschiedschrijving op te vullen. Het is schreven door de werkgroep geschiedenis ijzernijverheid. Een samenwerkingsverband tussen professionele en amateur historici die vanuit verschillende invalshoeken de ijzernijverheid beschrijven. De studie is ook bedoeld om het beoogd ijzermuseum op het monumentale DRU complex in Ulft te ondersteunen.
De boek bestaat uit drie delen. Het eerste deel gaat over de geschiedenis van het gebied rond de Oude IJssel en de geschiedenis van de ijzergieterij. Deel 2 bevat de bedrijfsgeschiedenissen van 9 bedrijven. En deel 3 is thematisch ingericht. Hier wordt aandacht besteed aan de sociale omstandigheden en de rol van de vakbeweging, aan de geschiedenis van fabrikantenfamilies en aan het werk van enige kunstenaars die de ijzergieterij tot onderwerp hadden. Het werk in de ijzergieterijen was zwaar en ongezond. Per gemeente kon het vakbondswerk verschillen. Er waren gemeentes waar de katholiek vakbond St.Eloy de boventoon voerde en gemeentes waar de neutrale AMNB invloed had. Vakbonden speelden een rol bij de oprichting van de eerste ziekenfondsen en coöperaties. Vanaf 1967 sloot een aantal gieterijen wat in sommige plaatsen leidde tot een werkeloosheid percentage van zo’n 25%. Sommige bedrijfssluitingen hebben tot grote verbittering geleid. Jan Toorop en Herman Heyenbrock schilderden de ijzergieterij als een romantisch en heroïsch bedrijf maar al vroeg moest bedrijven een beroep doen op buitenlandse werknemers om de vacatures te vervullen.


Als lezer ben ik benieuwd naar de betekenis van deze bedrijfstak in Europese context. In de 17de eeuw waren de Amsterdamse kooplieden de Geer en Trip grondleggers van de Zweedse ijzerindustrie. De ijzerindustrie van Siegenland was de wapensmidse voor het Staatse leger. Er was regionale specialisatie zoals de Luikse spijkermakerij. Uit het boek kan in dit niet helemaal aflezen. De nationale context staat centraal.
Ook de rol van de ijzerindustrie in de tweede wereldoorlog is af en toe door een “kiertje in het gordijn” zichtbaar. Bijvoorbeeld daar waar gesproken wordt over investeringen in een “Kriegswichtige” industrie. Er is steeds meer bekend over de rol van de Nederlandse industrie in, vooral het eerste gedeelte, van de oorlog. Er wordt nu minder besmuikt gereageerd op bedrijfsactiviteiten in de oorlog dan enige jaren geleden. Voor een goed begrip van de naoorlogse wederopbouw periode is een betere kennis van het bedrijfsleven in de oorlog noodzakelijk. Wensen voor de toekomst dus. Dit boek geeft een heel goed beeld van een belangrijke regionale bedrijfstak. Er is een uitvoerige bijlage met alle gieterijen die er ooit in Nederland zijn geweest en een overzicht van een aantal families die als fabrikant bij de ijzergieterij betrokken was. Het boek is heel mooi geïllustreerd.

Jur Kingma

Afbeeldingen:
1. De Doesburgse ijzer – en metaalgieterij van B.Ubbink.
2. Het werken in de gieterijen was lichamelijk zwaar. Twee arbeiders gieter vloeibaar ijzer uit een schaarpan in een vormkast.
3. De kunstenaar Herman Heyenbrock heeft een groot aantal interieurs van gieterijen afgebeeld. Dit is een pastel uit 1930 van een onbekende gieterij.
4. Veel arbeiders in de gieterijen worden afgebeeld in heroïsche poses. Op deze foto uit 1955 is te zien dat één arbeider nu het gietwerk kan doen, dat eerst door twee man werd gedaan. De schaarpan is verdwenen. Opvallend is het ontbreken van beschermende kleding of handschoenen.
5. In 1931 werd bij de gieterij Nering Bögel een Bessemer peer voor gietstaal geplaatst. Een schilderij van Herman Heyenbrock.
6. Weer een opvallende heroïsche pose. Een arbeider tapt een ijzeroven af in een transport pan. Hij heeft gelaatsbescherming en een lederen schort. Maar hij werkt met blote handen.
7. Kunstenaars werden geïnspireerd door het werk van de ijzergieters. Dit schilderij van Jan Toroop dateert uit 1922.



Jan Smit, Brord van Stralen redactie, Giel van Hooff, eindredactie “IJzergieterijen langs de Oude IJssel. 1689-heden” (Utrecht, 2007) ISBN 978 90 5345 329 2

N.B. Deze bespreking is eerder verschenen in het blad Erfgoed van industrie en techniek.