Het gevaarlijke bestaan van een ' war artist ' -auteur Jur Kingma

Tegenwoordig kunnen we bij wijze van sprake via een camera op de helm van een marinier de oorlog meebeleven. Daarnaast zijn er “Embedded Journalists” die voor een berichtgeving van de oorlogshandelingen zorgen van uit een positie op het oorlogsterrein. Het lijkt er op of dit een nieuw fenomeen is.

Maar vader en zoon van der Velde gingen al met een boeier achter de vloot aan om zeeslagen te schetsen. Later konden zij hun grote doeken verkopen aan de betrokken vlootvoogden of hoge colleges, zoals de admiraliteit.

De Engelse krant de Times had niet alleen een verslaggever naar de Krimoorlog gestuurd maar ook een tekenaar, William Simpson.

Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog was Alfred Waud voor de New York Illustrated News aanwezig bij de meeste veldslagen om deze in schetsen vast te leggen.

In 1917 werd zowel in De USA als in Engeland besloten om War Artists aan te stellen. In de USA ging het initiatief uit van de militaire leiding In Engeland nam het Imperial War Museum het initiatief voor het verzamelen van kunst over de lopende oorlog.

In 1916 werd ook door War Propaganda Bureau de kunstenaar Muirhead Bone naar de slagvelden bij de Somme gestuurd, waar hij als twee luitenant 150 tekeningen maakte. In 1917 werden nog een aantal kunstenaars naar het Europese slagveld gestuurd. In 1914 werden de voorbereidingen gestart voor dit bureau nadat was ontdekt dat de Duitsers ook zo’n instelling hadden. Aan 25 voorstaande kunstenaars werd advies gevraagd; van Arthur Coyan Doyle tot Ford Maddox Ford. Een van de eerste activiteiten was in 1915 de publicatie van een boek over veronderstelde Duitse beestachtigheden in België. Het boek werd geïllustreerd door de Nederlandse kunstenaar Louis Raemaekers. Opvallend is dat de uitgezonden kunstenaars vaak tot de avant-garde behoorden.

In Canada waren het ook particulieren, zoals de persmagnaat Lord Beaverbrook, die opdrachten geven aan kunstenaars om de oorlog te verbeelden.

In de tweede wereldoorlog was er nog een systematischer beleid met betrekking tot war artists. Het Britse ministerie van informatie had een War Artists advisory committee. Die voerde het War Artist advissory scheme uit. Want er waren u eenmaal zaken die en camera niet konden vastleggen. Een lange lijst van kunstenaars kreeg opdrachten. Een van de war artists was de bekende beeldhouwer Henry Moore, die schetsen en tekeningen maakte van schuilkelders. De meeste kunstenaars bleven in Engeland en werden vooral ingeschakeld om het moreel van het Engelse volk hoog te houden. Een enkeling, zoals de bekende graficus Eric Ravillious moest dit met de dood bekopen. Muirhead Bone was nu war artist in de rang van majoor bij de mariniers. Frank Wootton, een kunstenaar die o.a. voor de oorlog een handboek voor vliegers schreef en illustreerde, werd in 1939 gevraagd om officieel kunstenaar van de RAF te worden. Hij vloog mee tijdens D-day en was later zeer actief bij de oorlog in het Verre Oosten. Laura Knight, die ook in de oorlog was uitgezonden, was de officiële kunstenaar bij de processen in Neurenberg.

Ook de Nederlandse regering in ballingschap heeft een aantal Nederlandse kunstenaars opdrachten gegeven. Voor de USA en het Verenigd Koninkrijk zijn nog steeds war artists actief, zelfs nu in Afghanistan.

John Worsley was de zoon van een Engelse marineofficier die later koffieplanter in Kenia werd. Zoals alle kinderen van kolonialen kreeg hij zijn opleiding in Engeland.
Hij ging eerst naar Brighton College en later naar de Goldsmith’s school of art. Hij verdiende later de kost met het maken van schetsen en illustraties voor tijdschriften.
In 1939 kwam zijn vader terug in actieve dienst. Via een vriend van zijn vader kreeg hij een functie bij de marine; op een bewapend koopvaardijschip dat als hulpkruiser was ingericht. Dit was een noodmaatregel bedoeld om te verhinderen dat Duitse oorlogsschepen of bewapende vrachtschepen uitbraken naar de Atlantische oceaan om daar de koopvaardijschepen aan te vallen. Maar deze hulpkruisers vormden geen partij voor het geschut van de Duitse vestzak slagschepen en zware kruisers.
Later kwam hij op een oude torpedobootjager die als escorteschip mee voer met konvooien langs de Engelse oostkust. De Engelsen noemden dit E-boat alley omdat de konvooien daar vaak door zeer snelle Duitse motortorpedoboten werden aangevallen.
In 1942 kwam hij op de kruiser Devonshire die konvooien van grote troepentransportschepen zoals de Queen Mary en de Nieuw Amsterdam, die tussen Australië en Aden voeren, beschermde. In de zomer van 1943 keerde de Devonshire terug naar Engeland om een grote dokbeurt te ondergaan.
John Worsley werd toen door Kenneth Clark, de Engelse kunstpaus die het War Artists Advisory Committee leidde, uitgenodigd om als war artist te worden uitgezonden naar Malta, omdat in het centrum van de oorlogsvoering aan het werk te gaan. Hij was aanwezig bij de landingen op Sicilië en bij Salerno.
Tijdens een van zijn tochten werd een beroep op hem gedaan als marineman. Hij kreeg de kans om mee te gaan met clandestiene operaties van motortorpedoboten die achter de Duitse linies in Italië verzetsstrijders en geallieerde agenten aan wal zetten. Ze werden ook ingeschakeld bij het afvoeren van door de Italianen vrijgelaten geallieerde krijgsgevangenen die achter de Duitse linies in Italië terecht waren gekomen. Tijdens zo’n operatie die vanaf een eilandje in Joegoslavië werd uitgevoerd, vielen ze in de handen van de Duitsers.

De groep kwam uiteindelijk terecht in het krijgsgevangen kamp Marlag O. Marlag betekende Marine Lager. Het was een krijgsgevangen kamp voor gevangen genomen geallieerde marinemensen. Er waren verschillende kampen bij het dorp Westertinke, ongeveer 20 kilometer van Bremen. In Marlag O zaten 400 officieren, in Marlag M zaten 2000 manschappen en in Marlag Nord zaten ongeveer 10000 koopvaardij opvarenden. Een befaamde episode in Marlag O was het ontsnappen met behulp van een de dummy Albert. Onder leiding van John Worseley was een levensechte pop van een zeeman gemaakt, die snel in en uitelkaar gehaald kon worden. Tijdens het douchen buiten het kamp werd Albert razendsnel in elkaar gezet. Een van de groepsleden kon ontsnappen, maar dankzij de aanwezigheid van Albert op het appél was de ontsnapping onopgemerkt. De vluchteling kwam helaas niet verder als L?beck, waar geen Zweeds schip hem mee wilde nemen, zodat hij in handen van de gestapo viel.
In Marlag O was ook de commandant van HMS Cambeltown, die de sluisdeur in St.Nazaire had geramd. Verder zaten er de twee marinemensen die met een mini-duikboot de mijnen hadden gelegd die het slagschip Tirpitz onklaar hadden gemaakt. Worseley schilderde hun portretten.

In april 1945 werd Marlag O geëvacueerd. De gevangen moesten lopend naar L?beck. Triest is dat een aantal Engelse officieren tijdens deze barre tocht omkwamen omdat Engelse jagers schoten op alles wat bewoog. Worsely had al zijn tekeningen verpakt in kokers die waren gemaakt van lege blikken poedermelk van het Rode kruis. In L?beck werden ze opgesloten met Polen en andere gevangenen, tot ze bevrijd werden door de 11de tank divisie.

Er waren in Duitsland een groot aantal krijgsgevangen kampen voor geallieerde gevangen. Stalag Luft in Silezië is de bekendste van “The great escape”, waarbij 76 via een tunnel ontsnapten. Daarvan werden er 73 weer gevangen. Op bevel van Hitler werden er 50 geëxecuteerd. Het grootste kamp Stalag VII-A was bij Moosburg waar 130000 gevangen zaten. De BBC toonde dit najaar een driedelige serie “The long march home” over Britse krijgsgevangenen die in januari 1945 vanuit het Kamp Stalag Luft III op transport werden gesteld in de richting van het westen. Er zijn twee theorieën over deze onmenselijke transporten. De eerste is dat de Duitsers vreesden dat de krijgsgevangenen zich zouden aansluiten bij de oprukkende legers. De tweede is dat de Duitsers de krijgsgevangenen nog als ruilmiddel wilden inzetten. Veel van deze uitgehongerde mannen stierven aan dysenterie. Onderweg werden ze vaak aangevallen door boze Duitse burgers als wraak voor hun bombardementsactiviteiten. Zo’n 3000 man stierven op deze tochten, waarbij soms wel 1500 kilometer te voet werd afgelegd.
Op basis van zijn schetsen heeft John Worseley een groot schilderij gemaakt van zijn tocht. Dat schilderij hangt nu in het Imperial War Museum in Londen.

Afbeeldingen:

1. John Nash (1893-1977) was soldaat in de eerste wereldoorlog in “The Artists Rifles”. In 1918 werd hij een officiële war artist. Zij bekendste werk is “Over the top” dat nu in het Imperial War museum in Londen hangt. Dit is een schets voor dit schilderij. Het eerste bataljon van The Artists Rifles gaat uit loopgraven bij Marcoining in de buurt van Cambrai. Van de tachtig man werden er in de eerste minuten 68 gewond of gedood. Nash was bij de twaalf die het er goed afbrachten.

2. Rustende Franse troepen. Een schilderij van CRW Nevison ( 1889-1946) uit 1916 hangt in het Imperial War Museum in Londen. Voor de eerste wereldoorlog had hij contact met de Italiaanse Futuristen en de Vorticisten , maar maakte geen deel uit van de groep. In de eerste wereldoorlog was als vrijwilliger actief als ambulance chauffeur. Toen hij ziek naar Engeland terugkeerde maakte hij schilderijen in de stijl van de futuristen. Later was hij actief in het Royal Army Medical Corps in Engeland en werd benoemd tot officieel war artist.

3. Paul Nash (1889-1946) : We are making a new world” . Paul Nash vocht ook met The Artists Rifles in Noord Frankrijk. Vlak voor de slag bij Ieper brak hij een rib en werd teruggezonden naar Engeland. Daar maakte hij op basis van zijn schetsen schilderijen van het leven in de loopgraven. Zij stijl sloot aan de bij die van de Vorticisten. Zijn schilderijen maakten veel indruk en hij werd officieel war artist. Hij ging opnieuw naar het front.

4. Sir Muirhead Bone ( 1876-1953) was de eerste officiële war artist die in 1916 werd aangesteld door het British War Propaganda Bureau. In de tweede wereldoorlog, hij was inmiddels Sir, was hij opnieuw waar artist. Dit is een tekening van de evacuatie van de Engelse troepen uit Duinkerken in 1940 tijdens operatie Dynamo.

5. Tekening van Sir Muirhead Bone van een Engelse scheepswerf waar marineschepen werden gebouwd.

6. Frank Wootton (1914-1998) was de officiële kunstenaar van de Royal Air Force in de tweede wereldoorlog. Dit is een schilderij van een aanval van Beaufighters van Coastal Command op 15 juni 1944 op een Duits konvooi voor de Nederlandse kust. Drie schepen, waaronder de Nederlandse Amerskerk, werden vernietigd. Deze jagers kwamen van de vliegvelden Langham en North Coates. (schilderij in privé bezit)

7. Frank Wootton was aanwezig tijdens de opmars vanaf de stranden in Normandië. Dit schilderij werd gemaakt kort na de slag bij Falaise, waar hij over het slagveld ging met piloten die er actief waren geweest. De geallieerden wisten hier ten westen van de Seine 50000 Duitsers in te sluiten en uit te schakelen. Kort daarna werd Parijs bevrijd. Wootton schreef dat je dit beeld allen kon schilderen. Het was onmogelijk om het op een foto vast te leggen. Zijn commandant vond dat er te weinig dode Duitsers op stonden. Het schilderij hangt in het Imperial War Museum in Londen.

8. John Wolsley: speuren naar Duitse oorlogsschepen vanaf de brug van een hulpkruiser. Er was nog een oppervlakte radar beschikbaar dus de verrekijker was de enige mogelijkheid een vijandelijk schip te signaleren. Wolsley voer als marineman op de hulpkruiser Laurentic.

9. John Wolsely: de patrouillevaart van de hulpkruiser Laurentic door het ijs in de Noordelijke Atlantische Oceaan bij Groenland. Dat was de sluiproute waar langs Duitse oorlogsschepen de Atlantische oceaan in- en uitslopen.

10. Later voer John Wolsley op een oude torpedobootjager die koopvaardijkonvooien moest beschermen in E-boat alley. Dat was de route langs de Engelse oostkust waar het soms prijsschieten was voor de Duitse motortorpedoboten die waren gestationeerd in Nederlandse of Vlaamse havens.

11. Tijdens de operaties in de Middellandse zee was John Wolsley aanwezig als officiële war artist. Dit is de landing in Sicilië met op de achtergrond de vulkaan Etna.

12. John Wolsley was opnieuw actief als marineman bij clandestiene operaties achter de Duitse linies in Italië. Met dit vissersscheepje werden jerrycans met benzine voor motortorpedoboten vervoerd naar een Joegoslavisch eilandje.

13. Het avontuur in de Adriatische Zee eindigde voor John Wolsley met gevangenschap in opsluiting in het Duitse concentratiekamp Marlag O in de buurt van Bremen. Daar maakte hij o.a. dit portret van “Sam Beattie”, de commandant van de torpedobootjager Cambeltown die de sluis in St.Nazaire had geramd en opgeblazen. Later in Engeland maakte John Wolsley schilderijen van deze gewaagde aanval. Het schilderij van Beattie hangt in het National Maritime museum in Greenwich.

14. Het kamporkest in Marlag O kreeg zijn instrumenten van de Zweedse YMCA die het kamp af en toe bezocht. Er werden ook instrumenten in de knutselruimte van het kamp gebouwd. Dit schilderij van John Wolsley is in het bezit van het Imperial War Museum.

15. In april 1945 werden de bewoners van het kamp Marlag O gedwongen naar Lübeck te marcheren. Daar werden ze bevrijd. Er vonden op het einde van de oorlog veel van deze gruwelijke marsen plaats waarbij velen om het leven kwamen. Op deze mars naar Lübeck kwamen Engelsen om het leven door het vuur van eigen Typhoons. Dit schilderij van John Wolsley hangt in het Imperial War museum.

16. Montague Dawson ( 1895-1973) is vooral bekend van schilderijen van majesteitelijke clippers onder vol zeil. In de eerste wereldoorlog was als vrijwilliger bij de Britse marine. Hij werkte later vooral als illustrator voor het geïllustreerde bladen “The Sphere” en “The Graphic”. Hij was o.a. aanwezig bij de overgave van de Duitse vloot in 1918. In 1924 was hij officieel kunstenaar van een Zuidzee expeditie. Tussen de twee wereldoorlogen was hij ’s werelds bekendste en best betaalde maritieme kunstenaar. Hij was zeer nauwkeurig in de nautische details op zijn schilderijen. In de tweede wereldoorlog was hij war artist. Deze afbeelding van een Nederlandse sleepboot die een schip in nood te hulp schiet, verscheen eerst in “The Sphere” en later in “Holland Afloat”.

17. Ook de Nederlandse regering in ballingschap in Londen had officiële oorlogskunstenaars aangesteld. Zij maakten o.a. portretten van Koningin Wilhelmina en schilderijen van oorlogsschepen. Maar voor dit boekje “Holland afloat” uit 1944 gebruikte men een illustratie van een Engelse kunstenaar William Mc Dowell die de aanval van Nederlandse onderzeeboten op een Japans konvooi voor de kust van Thailand weergeven. De illustratie verscheen eerder in het geïllustreerde tijdschrift “The Sphere” dat populair was in beide wereldoorlogen.