Kalksteen ovens in Europa

Inleiding.

Het is al eeuwen geleden uitgevonden, dat wanneer men kalksteen brandt er een substantie overblijft met bindende eigenschappen. Wanneer deze wordt gemengd met rivier zand en water, genoemd specie, geschikt is om andere steensoorten blijvend aan elkaar te kitten.

De Romeinen hadden al dat als kalksteen gebrand wordt er zuurstof aan onttrokken wordt en er een poeder van Calciumoxide overblijft. Men noemt dit ongebluste kalk, dat geblust met water bindende eigenschappen heeft en in de bouw wordt toegepast.
Een andere bekende toepassing is de fresco techniek waarbij er op een natte kalklaag geschilderd wordt.
Bovendien was kalksteen al in de Oudheid een geliefd materiaal voor de beeldhouwer.

Daar waar geen kalksteen voorhanden was zoals in ons land gebruikte men schelpen en herinneren we ons niet alleen een paar overgebleven kalkovens met de opvallende lange schoorstenen, maar ook de schelpenvissers paard en wagen aan de kust, een geliefd onderwerp van de schilders van de Haagse School.

VINDPLAATSEN.
Kalksteen ontstaat als overblijfselen van in zee levende organismen, op de bodem afgezet, waardoor er in een tijdsbestek van vaak miljoenen jaren, overal ter wereld grote rots formaties ontstonden.
In Noord Europa bestaan de “white Cliffs” van Dover in Engeland, het Karstgebergte in Noord-Italië en Pamukkale in Turkije uit kalksteen.
Dichter bij huis in Zuid-Limburg in de vorm van mergel en In België blauwe hardsteen, een kalksteen variant van overblijfselen van zeelelies.
Een kenmerkende eigenschap van kalksteen is dat er steeds fossielen in terug te vinden zijn, zoals schelpen, ammonieten en de onlangs gevonden kaak van een enorme zeehagedis in Zuid-Limburg.

Daar waar kalksteen gevonden werd vind men ook kalkovens, zoals restanten er van in het Duitse Eifelgebergte door archeologen gevonden zijn.
In London blijkt uit geschriften, gedateerd 13e eeuw, eveneens de aanwezigheid van kalkovens. Wat Nederland betreft stammen de eerste schelp kalkovens uit de 14e eeuw in het Graafschap Holland.

KALKSTEEN BRAND-PROCES.
Kalksteenovens hadden over het algemen de vorm van een afgeplatte kegel.
Tot eind van de 18e eeuw gebruikte men overall dezelfde methode en ook nu nog steeds hier en daar rond de Middellandse zee.

In vroegere tijden had de grote behoefte aan kalk onverwachte gevolgen, daar men er gemakshalve Grieks en Romeinse standbeelden en monumenten voor sloopte om als grondstof te gebruiken. In de Middeleeuwen kreeg het forum in Rome niet voor niets de bijnaam “in calcaria”.
Na kalksteen winning al dan niet met voorwerpen uit de Oudheid , werd zo'n oven geheel opgevuld met brokken kalksteen, waaronder een flink brandend houtvuur werd gestookt.

Vanaf het begin van de 19e eeuw veranderde deze methode in een meer continue proces door een laag kalksteen steeds af te wisselen met een laag kolen. De hoogte van deze “nieuwe ovens” bedroeg 10 tot 12 meter met een opening van 2 meter in diameter. Het hele brandproces duurde 24 uur met een productie van 100 ton.

Vanaf het moment dat de kalksteen brokken CACO³ tot 1000 graden celcius verhit worden, reduceren ze tot kalk CAO omdat er koolzuurgas aan CO² onttrokken wordt.
Het poeder dat overblijft (ongebluste kalk) is dan nog niet bruikbaar en moet met water geblust worden CAO² + H²O = CA(OH)² en kan dan na droging verhandeld worden.
Bij toepassing in de bouw gebeurd weer het omgekeerde na toevoeging van water en rivierzand om meer volume te krijgen, neemt de specie weer koolzuurgas uit de lucht op en verhard na enige tijd. De praktijk leert hoe geleidelijker hoe beter de harding verloopt.

DE KALKOVENS VAN LE REY.
De aanwezigheid van een laag kalkgesteente in het Departement Manche van Basse-Normandië verklaart de aanwezigheid van kalkovens vanaf de 16e eeuw in Regnéville en de naburige gemeenten.

Door de gestegen vraag naar kalk voor de landbouw liet in 1852 Victor Bunel een oven bouwen. Een kalkoven volgens een nieuw procedé waarvoor de plannen ontworpen waren door civiel ingenieur Simoneau die ook met de uitvoering er van werd belast.
De locatie werd gevonden bij de reeds bestaande steengroeve Le Rey vlak bij de haven van Regnéville, midden in het kalksteengebied.
een gunstige locatie voor zowel grondstof als transport.
Dat dit succesvol bleek is af te leiden door het feit dat er kort daarna nog een drietal ovens werden bijgebouwd.
Een ander bewijs dat de kalkproduktie lonend was, kwam doordat kalk gebruikt om bij wijze van bemesting, (kunstmest kende men toen nog niet), zure gronden te verbeteren, waardoor de opbrengst groeide van 10 naar 21 hectoliter per per hectare.
De imposante ovens van Regnéville die doen denken aan de citadel van Sedan in de Franse Ardennen, wijken af van de toen gebruikelijke ontwerpen en uitvoeringen van de Belgisch-Franse industriëeel Alfred Mosselman die ovens in Bahais en La Roque-Genest bij ST.Lô exploiteerde.

Nogmaals recapiturend diende en dient kalk voorallerlei doeleinden;
Natuurlijk ten eerste in de bouw, maar ook voor de techniek van het fresco maken, denk aan de beroemde fresco's uit de Italiaanse Renaissance.
in de landbouw om verzuring tegen te gaan en in de fruitteelt werden de stamen van de bomen van een kalklaag voorzien.
De oesterkwekers behandelden dakpannen met kalk om de oester zich gemakkelijker te laten hechten.
In de ijzer-, papier- en suikerindustrie en tenslotte door filtering met kalk om de waterkwaliteit te verbeteren.

INFRASTRUCTUUR
Niet alle benodigde grondstoffen waren in Regnéville aanwezig; hout en kolen moesten worden aangevoerd.
Dat was geen probleem want de ovens en kalkgroeven lagen naast de natuurlijke haven, waar schepen afhankelijk van het getij veilig konden ankeren.
Al vanaf de middeleeuwen was de haven van Regnéville-sur-mer, of zo men wil de haven van de Sienne het riviertje dat onder invloed van stromingen en getijverschillen in een trechtervormige rivier monding was veranderd, belangrijk door jaarmarkten en bezoekende kooplieden uit geheel West-Europa.
Een kasteel, in het water gebouwd zorgde voor veiligheid van mens, have en goed.
Dat was wel nodig, want invallen van zowel Noormannen en Engelsen vice-versa (denk aan het Tapijt van Bayeux) maakten van de Manche een onveilige plek.

Later nam de betekenis van de haven af , op de plaatselijke vissers na die op kabeljouw visten.
Totdat er in de 19e eeuw een tijdelijk opleving plaatsvond door ”de kalk”.
De import van kolen uit Wales en de export van kalk en kalkgesteente vooral naar Bretagne en de Anglo-Normandische eilanden, (Kanaal eilanden), deden vele schepen aanlopen, totdat de havens van Cherbourg en Le Havre opkwamen en met betere faliciteiten het scheepsverkeer overnamen en daardoor de natuurlijke haven van Regnéville in verval raakte.

Wat van het maritieme verleden overbleef zijn de fraaie redershuizen en de meer bescheiden visserswoningen, maar vooral ook het Maritieme Museum naast de kalkovens, die een blik gunnen van dat rijke verleden.
Dat geld ook voor de nabij gelegen ovens, getuigen van een rijk industrieel verleden