Het is eigenlijk een merkwaardige plaats voor een staalfabriek.

In de middeleeuwen werd op de Veluwe ijzer gesmolten.
Later kwamen er eenvoudige hoogovens langs de Oude IJssel in de Achterhoek.
In de 17e eeuw was Holland het centrum van de Europese ijzer- en wapenhandel.
Ondernemersfamilies als Trip en De Geer speelden een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de Zweedse ijzerindustrie.
Ook ijzeren producten zoals Luikse spijkers en wapens uit het Siegerland werden via Amsterdam verhandeld. Een van de pakhuizen op Wittenburg heet de Luikse Spijker.

De enorme ontwikkelingen in de ijzer- en staal industrie in de 18e en 19e eeuw voltrokken zich buiten Holland.
In 1890 werd de laatste eenvoudige hoogoven aan de Oude IJssel stil gelegd. Hoe er een moderne staalindustrie in de duinen bij Holland op zijn Smalst kwam is het onderwerp van dit verhaal.


IJzerbereiding in de oudheid

Zo’n 4000 voor Chr. waren er al ijzervoorwerpen gemaakt van meteorietijzer.
Veel later werd ijzer gemaakt uit erts. Dat gebeurde toen er te weinig tin werd gevonden om brons te maken. Voor het smelten van ijzererts waren veel hogere temperaturen nodig dan voor brons.
De ijzerproductie ontwikkelde zich bij de vindplaatsen van de grondstof. Oorspronkelijk was dat ijzeroer, moerasijzer, dat ook in Nederland werd gevonden, bijvoorbeeld beekdalen in de Achterhoek. Verder kwam ijzer in de vorm van klapperstenen voor op de Veluwe.
IJzer komt in de natuur voor als oxide (een chemische verbinding met zuurstof) of hydroxide (een chemische verbinding met water). Haematiet, Magnetiet en Goethiet zijn de drie vormen waarin ijzer wordt aangetroffen als ertsen.
Dat kan zijn in de vorm van vulkanische gesteende of als een vorm van sedimentair gesteente waarbij het tussen andere gesteenten ligt.
Een bekend voorbeeld is blackband in Schotland, waar het ijzererts tussen steenkoollagen ligt.
Minette ijzererts uit Luxemburg en Frankrijk ligt tussen kalksteenlagen met een hoog fosforgehalte.

Vanaf 1200 voor Chr. werd ijzer gewonnen in veldovens. Kleine gaten in de grond waar het eerst werd gesmolten met behulp van houtskool. De ijzerbereiding is zowel een natuurkundig proces (verhitting) als een scheikundig proces ( reductie). Houtskool was hierbij ideaal.
In de veldovens, kuilovens, was de temperatuur onvoldoende hoog om ijzer vloeibaar te maken. het ijzer kwam er uit als een grote klont, de wolf. Die werd later verhit en gehamerd door de smid. Zo ontstonden voorwerpen zoals messen, zwaarden en ploegen.
Voor 1 kilo ijzer was 740 kg hout nodig. Dat hout werd in een meiler langzaam verkoold tot houtskool. In veel delen van Europa werd ijzer gemaakt in combinatie met agrarische activiteiten. ‘s Zomers was men boer en ’s winters werd er hout gehakt voor de houtskool bereiding. In het voorjaar werden dan de ijzerovens gestookt. De hoogoven, waarbij door de hogere temperaturen het vloeibare ijzer werd afgetapt was mogelijk een Chinese uitvinding.
Een hogere temperatuur kon worden verkregen door het inblazen van lucht met behulp van blaasbalgen, later vaak in beweging gebracht door watermolens.
In de 5de eeuw voor Chr. werd in China voor het eerst ijzer gegoten tot voorwerpen. De eerste hoogovens dateerde uit de eerste eeuw van onze jaartelling.
Pas in de middeleeuwen raakte deze techniek bekend in Europa.
Al rond de 10de eeuw voor Chr. slaagde men er in staal te maken uit ijzer. Staal is harder als giet- en smeedijzer door een ander gehalte aan koolstof. Het maken van bijv. Damascus staal was een gecompliceerd en tijdrovend proces, waarbij het ijzer regelmatig verhit moest worden, daarna gehamerd en vervolgens gekoeld in water. Dit proces heet cementeren. Staal werd alleen gebruikt in zwaarden en dolken.
Geleidelijk kwamen er meer ijzeren voorwerpen zoals het aambeeld, de smeedtang, de treksteen om draad te trekken en de spanzaag.
Bij de Romeinen nam de mijnbouw een belangrijke plaats in.
Over de middeleeuwse metaalbewerking is niet zo veel bekend. De middeleeuwse smid was vooral wapensmid die malenkolders, een gevechtspak van ijzeren ringetjes, en wapens maakte.
Daarnaast waren er de sloten smeden.
De ijzerovens werden wat beter. De St?ckofen was drie meter hoog. Er kwamen watermolens die hamers aandreven om het ijzer te hameren en om blaasbalgen van smeden aan te drijven. Er kwamen steeds meer ijzeren producten zoals zeisen, spijkers en naalden.
Vanaf de 15e begon men ijzeren kanonnen te maken.


De ijzerindustrie en de industriële revolutie

De eerste fase van de Britse industriële revolutie had betrekking op een enorme expansie van de textielindustrie; vooral de katoenspinnerij en weverij, de aanleg van een kanalenstelsel, grote verbeteringen in de ijzerbereiding en de komst van pompen op stoomkracht voor mijnen, waaruit de stoommachine werd ontwikkeld. In de loop van de 16e eeuw begon men de ijzeroven geleidelijk te verhogen. De blaasbalgen aangedreven door watermolens zorgen voor voldoende toevoer van lucht.
Aan het einde van de 17de eeuw bereikten deze hoogovens een hoogte van 9 meter. IJzer kwam nu beschikbaar als gietelingen.
Nederlanders als de Geer en Trip ontwikkelden in de 17e eeuw de Zweedse ijzerindustrie waardoor er veel meer ruwijzer beschikbaar kwam.
Er kwamen ook nieuwe toepassingen zoals die van gietijzeren walsen in een walserij, een uitvinding van de Zweedse ijzerfabrikant Christian Polhem in 1682.
De toegenomen ijzerproductie vroeg om een alternatief voor houtskool. Steenkool werkte niet. Brouwers in Engeland ontgasten kolen om de brouwketels te stoken omdat anders het bier slecht smaakte. Abraham Darby ontdekte in 1709 dat je goed ijzer kon smelten met cokes, ontgaste steenkool. Hij had zijn leerjaren doorgebracht op een mouterij.
Er kwamen in het Verenigd Koninkrijk meer verbetering in de ijzer- en staalbereiding zodat er steeds meer toepassingen kwamen zoals wetenschappelijke instrumenten. Men begon er mee om het gietijzer opnieuw te verhitten in koepelovens zodat de kwaliteit beter werd.
Wilkinson gebruikte in 1776 een stoommachine om cilinders aan te drijven die lucht in de hoogoven bliezen waardoor de temperatuur in de oven flink omhoog ging. In 1784 ontwikkelde Henry Cort het puddel proces. In een vlamoven werden gietelingen verhit door hete lucht. Een arbeider moest in de gloeiende ijzermassa poken of roeren. Als de ijzerklont voldoende was verhit dan werd deze gewalst onder geribbelde walsen. Zo ontstonden staven smeedijzer. Dit puddelijzer was van iets mindere kwaliteit als het gehamerde smeedijzer maar veel goedkoper.
De puddelaar werd de archetypisch ijzer- en staalarbeider. Het was een zwaar, ongezond en gevaarlijk beroep. Een nieuwe verbetering was het voorverwarmen van de ingeblazen lucht in de hoogoven.
In 1779 werd de eerste ijzeren brug gebouwd. Men begon te experimenteren met ijzeren molenassen en gietijzeren kolommen werden aarzelend gebruikt in de bouw van fabrieken. In de tweede helft van de 19de eeuw zou ijzer en later staal hout verdringen als het universele bouwmateriaal.
Benjamin Huntsman verbeterde in het midden van de 18e eeuw in stappen het maken van staal uit Zweedse gietelingen. Hoogwaardig staal was nodig voor instrumentenmakers en klokkenmakers. Hij verbeterde de ovens en smolt het ijzer in aardenwerken kroezen. Het staal kon nu worden gegoten.


Van ijzer naar gietstaal

In het volgende hoofdstuk van de industriële revolutie, in de 19e eeuw, werd de stoommachine ingezet voor de aandrijving van fabrieken, vooral katoenspinnerijen en weverijen. De stoommachine werd transportabel zodat deze voor transport over de ijzeren spoorweg en over het water kon worden gebruikt. Dit leidde tot een enorme toename van de vraag naar ijzer en later staal.

De volgende verbetering van de staalbereiding kwam van de Amerikaan Kelly die lucht blies door kokend ijzer. In deze converter ontstond staal. Zijn werk werd in 1855 voortgezet door Bessemer in Engeland. Die experimenteerde met een peervormige kantelbare converter gedeeltelijk bekleed met vuurvaste klei. Na veel geëxperimenteer veroverde de Bessemer in hoog tempo de staalfabrieken van Europa en Amerika.

Parallel aan deze ontwikkeling ontwikkelde Friederich Siemens het open haard proces. De hete ovengassen werden gebruikt om de brandstof en de ingeblazen lucht voor te verwarmen. Een praktische toepassing was de Cowper haard. In 1861 kon steenkoolgas worden gebruikt als brandstof. Dit proces heeft als voordeel een hogere temperatuur, men kan ijzerafval (schoot) en steenkool van slechte kwaliteit gebruiken en het proces is goed te regelen zodat de kwaliteit van het geproduceerde staal goed in de hand is te houden. Zowel het Bessemer proces als het Siemens proces werkte alleen maar met fosforarm ijzer erts uit Midden-Zweden, Spanje en Cumberland in Engeland.
In 1875 lukte het Thomas en Gilchrist om fosforhoudend ijzererts te verwerken in converters bekleed met kalksteen houdende vuurvaste stenen. De slag, het afval van het proces, kon worden vermalen tot een waardevolle kunstmest: Thomas slakkenmeel. Nu waren eigenlijk alle belemmeringen voor een enorme stijging van de staalproductie weg want ijzererts in Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten was vaak fosforhoudend.
Vooral in Duitsland nam de staalproductie enorm toe. De vraag van spoorwegen en scheepsbouw was enorm.

In De Verenigde Staten werden ook de eerste wolkenkrabbers gebouwd van stalen balken. In 1870 werd wereldwijd een half miljoen ton staal gemaakt. Een kwart eeuw later was dit vervijftigvoudigd. Vanaf 1884 kon gietstaal rechtstreek in geïntegreerde walserijen worden verwerkt. Het hoefde niet meer gehamerd te worden. Dit maakte de weg vrij om grote blokken gietstaal van 130 ton uit te walsen tot pantserplaat van 30 cm dik. Naast dit super dikke staal was er ook vraag naar heel dun plaatstaal of plaatijzer dat kon worden vertind tot blik waar in de voedingsindustrie een toename vraag naar was. Er kwamen talloze toepassingen voor staal zoals de naadloze buizen van Mannesmann in Duitsland.
De oorlogsvoering werd steeds meer afhankelijk van de staalproductie. De wapenwedloop tussen Engeland en Duitsland had vooral betrekking op de vloot. In 1906 kwam het Engelse slagschip Dreadnought in dienst: geheel gepantserd, met uitsluitend zwaar kaliber geschut en turbinevoortstuwing. Dit schip leidde tot een ongekende wapenwedloop. Rond 1900 waren de Verenigde Staten en Duitsland Engeland voorbij gestreefd in de staalproductie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de staalproductie door alle partijen sterk verhoogd.


De Nederlandse ijzer- en staalbehoefte.

Nederland industrialiseerde later dan Engeland, Duitsland en België.
Er was hier een infrastructuur gebaseerd op houten techniek zoals windmolens en goedkoop transport via kanalen, rivieren en trekvaarten.
Koning Willem I investeerde veel in de ontwikkeling van ijzer- en machine industrie in Wallonië.
Na de Belgische onafhankelijkheid stond het noorden met lege handen.
Het duurde jaren voor de staatsfinanciën van het noorden op orde waren. Geleidelijk kwamen er in Nederland moderne scheepswerven waar ijzeren schepen werden gebouwd en machinefabrieken. Ook de werkplaatsen van de spoorwegen gingen steeds meer ijzer gebruiken.
In de 19e eeuw wordt het ruwe ijzer op de wereldmarkt gekocht omdat het aanbod groot genoeg is.
En in Nederland was er nog geen financiële infrastructuur voor het investeren in grote bedrijven.
In 1884 stichtte de Rijks-Artillerie-Inrichtingen in Delft een kroezen-staalsmelterij; de eerste in Nederland.

Rond 1900 kwamen de eerste plannen voor een modern staalbedrijf in Nederland, maar studies wijzen uit dat zo’n bedrijf niet rendabel is. Kleine bedrijven begonnen met het gieten van stalen producten.
De eerste was J.M. De Muinck Keijzer die in Martenshoek in Groningen staal ging gieten. In 1915 bouwde hij in Zuilen bij Utrecht de grote DEMKA gieterij.

Duitse bedrijven keken ondertussen naar Rotterdam als een vestgingsplaats voor een hoogovenbedrijf.
Deze bedrijven hebben al eerder hoogovens in havenplaatsen gesticht: Stettin 1897, Lübeck 1907, Bremen 1908 en Emden 1909. Dat had te maken met de aanvoer van ijzererts over zee.
In 1912 werd via Rotterdam 6 ½ miljoen ijzererts over de Rijn naar Duitsland vervoerd. Nederland gebruikte toen 326000 ton ruw ijzer per jaar. In dat jaar begint een nieuwe discussie over een hoogovens bedrijf in Nederland door de oratie van de Delftse hoogleraar Steger. Hij wordt van repliek gediend door A.G.Kröller, een van de grootste Europese ertshandelaren. Zo’n hoogovenbedrijf zou meteen de helft van de Nederlandse staalbehoefte leveren. De staalimporten zouden dus moeten halveren. Dat leek hem een onwaarschijnlijk scenario. In 1914 namen die ingenieurs, die alle drie betrokken waren bij de technische bedrijven van het ministerie van Koloniën in Indië het initiatief tot een nieuwe studie naar een mogelijk hoogoven- en staalbedrijf in Nederland. De belangrijkste van het drietal was H.J.E.Wenckebach. Hij was aanvankelijk genieofficier, daarna werkzaam bij diverse spoorwegmaatschappijen en vervolgens de van 1902 tot 1907 directeur van de Staatsmijnen. In 1908 werd bij wet besloten om alle gouvernementele bedrijven in Indië in een organisatie onder te brengen. Wenckebach werd er directeur-generaal. In 1914 keerde hij terug naar Nederland. Hij had onder tussen de Nederlandse regering geadviseerd over de opricht van het staatsbedrijf der Nederlandse spoorwegen. Tijdens zijn adviesonderzoek maakte hij kennis met vertegenwoordigers van de Amsterdamse banken. J.C. Ankersmit was ingenieur die voor de overheid veel ijzer van nieuwe bruggen etc keurde. In 1912 hield hij namens de Indische overheid toezicht op de bouw van het grote Soerabaja droogdok dat bij de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij in Amsterdam op stapel stond.
In 1913 publiceerde hij een nota over een Hoogoven-Staalwerk in Nederland. Hij had bij Duitse relaties informatie ingewonnen. Hij wilde drie hoogovens, een Thomasstaalfabriek en een Siemens-Martin staalfabriek en een blokwalserij. Hij bezocht al mogelijke locaties bij Rotterdam, Maassluis en Moerdijk. Hij kreeg echter de financiering niet rond. Er werden nog verschillende pogingen gewaagd, maar met name de Rotterdamse scheepsbouwers en financiers zagen er niets in. Ook andere bedrijven zoals Stork zagen er niets in.
De eerste wereldoorlog als katalysator
Toen Wenckebach in 1914 terug was gekeerd in Nederland werd hij bij de plannen betrokken. Hij opteerde voor een kleinere opzet van het bedrijf. Maar in de loop van 1916 had men advies ingewonnen bij Prof. W?st, hoofd van de afdeling Eisenh?ttenkunde aan de T.H in Aken. Men ging nu uit van twee hoogovens met een kleinere capaciteit. Ook de vraag of er meteen een walserij moest komen, werd opgelaten.

Voor de eerste keer is het Noordzeekanaalgebied tussen Amsterdam en IJmuiden ook in beeld als vestigingsbied. In de eerste wereldoorlog bleek de kwetsbaarheid van Nederland op het terrein van de import van grondstoffen. Aanvankelijk lukt het nog vervangende grondstoffen te vinden, maar in 1916 waren de ijzerprijzen al flink gestegen. Vanaf 28 september 1916 verbood Duitsland de uitvoer van ruw ijzer. Het kon alleen worden geëxporteerd in ruil voor producten die nuttig waren voor Duitsland. Het was ook een manier om de Nederlandse industrie dienstbaar te maken aan de Duitse oorlogseconomie. Scheepswerven die bouwen voor Nederlandse rederijen kregen geen staal geleverd, maar de werven die voor Duitse reders bouwen wel.
Zo raakten de geesten rijp voor een nationaal Nederlands hoogoven bedrijf. Bovendien was er veel geld beschikbaar. De discussie waar het bedrijf moest komen barstte los. Tijdens de eerste wereldoorlog was de productie van de Limburgse mijnen enorm gestegen en men voorzag dat daar chemische fabrieken en metaalbedrijven gevestigd zouden worden. De kamer van koophandel van Maastricht pleitte hier sterk voor. Als nadeel werd gezien dat Limburg eigenlijk niet te verdedigen viel. Provinciale Staten waren tegen. Wenckenbach was een diplomaat die steeds meer invloedrijke figuren voor zijn plannen wist te winnen. In 1917 kwam IJmuiden plotseling in beeld als vestigingsplaats. Dit in samenhang met werken aan de nieuw te bouwen Noordersluis. Op 19 april 1917 kwam in het Scheepvaarthuis in Amsterdam in het geheim de top van het Nederlandse bedrijfsleven en de bankwereld bij elkaar om te spreken over de oprichting van een Nederlands hoogovenbedrijf. Behalve scheepswerven, reders, spoorwegen en machinefabrieken waren ook de Koninklijke/Shell en Philips vertegenwoordigd. Een spin in dit web was dr F.H. Fentener van Vlissingen van de Steenkolen Handels Verenging, die de Duitse steenkolen via Rotterdam verhandeld. Hij was ook een van de financiers van Fokker en van de kunstzijdefabriek ENKA. Hij had ook veel contacten met industriëlen in het Ruhr gebied. De bankiers wilden graag een staatsgarantie. Dit leidde tot vertraging. Uiteindelijk werd er gekozen voor een minderheidsdeelneming door de Staat van 7,5 miljoen gulden. De particulieren, banken en bedrijven brachten 17,5 miljoen bijeen.
Op 20 september 1918 vond de oprichting plaats van de Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken n.v. Wenckebach werd directeur en D.W. Stork voorzitter van de raad van commissarissen.
Amsterdam-Zuid gebouwd op Hoogovenzand
Voor de vestigingsplaats werden Rotterdam en Amsterdam tegen elkaar uitgespeeld.
Rotterdam had een deel van het terrein aan de Waalhaven in de aanbieding. Hoogovens wilde hiervoor betalen in aandelen. De stad wenste de helft in aandelen en de andere helft in contanten.
Amsterdam bood een vestigingsplaats aan voor 5 miljoen in aandelen. Het kostte veel minder om de zandbodem bij IJmuiden bouwrijp te maken. En het zand dat vrijkwam bij het graven van havens voor de Hoogovens zou worden gebruikt nieuwe wijken van Amsterdam. De havens werden gratis gegraven en Amsterdam zou de bouw van arbeiderswoningen in Velsen bevorderen. Toen alle plussen en minnen op en rij worden gezet bleek dat eigenlijk alleen een project in IJmuiden financieel haalbaar was, mede door de lage funderingskosten.
Eind 1918 nam Hoogovens hier over een besluit. Er was al die jaren veel studie en ook veel onzekerheid over het definitieve plan: het grote plan met drie hoogovens, een staalfabriek, walserijen, cokesfabrieken en chemische fabrieken of een kleiner plan met alleen hoogovens of alleen staalfabrieken. Er worden studiereizen gemaakt naar Duitsland en de USA. De bouwkosten vielen na de eerste wereldoorlog hoger uit dan begroot. Daarom werd samenwerking begonnen met de staalgieterij DEMKA en het Duitse hoogoven en staalbedrijf Phoenix bij Dortmund. Zij zouden ruwijzer afnemen van Hoogovens en gedeeltelijk walserij en gietproducten terug leveren. In 1921 werd begonnen met het kleine project. Naast Wenckeback waren de trekkers van dit project Ir Kessler, zoon van een van de oprichters van Koninklijke/Shell, en Ir Ingen Housz die eerder bij een grote aannemer had gewerkt.
Een deel van het duinterrein wordt verkocht aan Rijkswaterstaat om de bouw van een nieuwe sluis mogelijk te maken: de latere Noordersluis. In 1919 werd begonnen met de aanleg van de zeehaven, enige jaren later gevolgd door een binnenhaven. Het kleine project bestond uit twee hoogovens van een Amerikaans model; robuuster en eenvoudiger dan de Duitse modellen. Deze zouden echter door GHH in Duisburg worden gebouwd. Er zou geen eigen cokesfabriek komen.
De Staatsmijnen zouden de cokes leveren, maar de prijs was te hoog, zodat men in België een eigen cokesfabriek bestelde. In de zomer van 1923 kwamen de zeehaven, de hoogoveninstallatie en talloze technische onderdelen klaar. Op 6 september 1923 kwam het eerste zeeschip met ijzererts. In 1918 had men al een eigen kalksteengroeve gekocht in België. Op 3 januari 1924 werd voor de eerste keer de cokesfabriek met steenkool geladen en op 24 januari werd het eerste ijzer uit de hoogoven afgetapt. Op 8 februari 1926 kwam de tweede hoogoven in bedrijf. In 1926 stortte de grote ertsloskraan in door een constructiefout. Deze kraan was gebouwd door MAN, een dochterbedrijf van GHH. Hierdoor moest de tweede hoogovens worden stilgelegd en Hoogovens kon daardoor niet profiteren van het feit dat Engelse hoogovens werden stilgelegd vanwege de langdurige landelijke mijnwerkerstaking. Men moest de zaak draaiende houden met tweedehands stoomkranen. De productie van de hoogovens was groter dan verwacht. In 1925 werd 118357 ton ruwijzer gemaakt en in 1937 302386 ton. Steeds is zo’n 75-80% bestemd geweest voor de export.


Een veelzijdig bedrijf

Vanaf 1925 begon Hoogovens met de levering van gas van de cokesfabriek aan gemeentes: Velsen (1925), Wormerveer (1930), Zaandam (1939). Dit leidde steevast tot sluiting van gemeentelijke gasfabrieken. In 1927 kwam de tweede cokesovenbatterij in bedrijf. In 1928 werd een contract gesloten met het provinciale elektriciteitsbedrijf voor de bouw van een elektrische centrale in Velsen die met hoogovengas gestookt zou worden. Deze kwam in 1931 in bedrijf.
In 1929 kwam de MEKOG in bedrijf, een bedrijf dat uit hoogovengas ammoniak won dat tot kunstmest werd verwerkt. Het bedrijf was een dochteronderneming van Hoogovens en de Bataafse aardolie mij BPM (Shell). Slakken van de Hoogovens werden gebruikt voor wegfunderingen en voor het maken van stenen. In 1929 werd contact gelegd met de in 1925 opgerichte cementfabriek ENCI bij Maastricht voor de verwerking van hoogovenslakken. In 1930 werd besloten tot oprichting van de cementfabriek CEMIJ in IJmuiden. In 1927 werd Hoogovens voor 50% eigenaar van de N.V. Teerbedrijf Uithoorn, waar de teer afkomstig van de cokesovens werd verwerkt. De bijproducten droegen ongeveer 20% bij in de omzet.
De samenwerking met de staalbedrijven DEMKA en Phoenix waren niet zonder problemen. In 1926 ging Phoenix op in Vereinigte Stahlwerke, een grote staaltrust van een aantal Duitse staalbedrijven waar Frick en Thyssen de hoofdrol speelden. Er was in toenemende mate een overproductie van ruwijzer zodat de samenwerking met bedrijven die zelf ook ruwijzer produceerden, moeizaam werd. De derde hoogoven kwam in 1930 in bedrijf. In 1933 besloot Hoogovens tot oprichting van een buizengieterij. Ir Ledeboer had een eigen buizengietmachine ontworpen die werd gebouwd door Werkspoor. Voor de afzet nam Hoogovens contact op met de Bataafse (Shell) en waterleidingbedrijven. De waterleidingbedrijven wilden liever buitenlandse bedrijven laten concurreren met hun overschotten. De proefneming was succesvol en in 1936 werd een buizenfabriek in gebruik genomen.


Uitvoering van het Grote Plan

Er werd steeds op “Het Grote Plan” gestudeerd: een geïntegreerd hoogoven en staalbedrijf. Steeds meer werd in plaats van Duitsland de U.S.A. het voorbeeld. De keuze viel op Siemens-Martin ovens. De keuze voor een type walserij werd moeilijk vanwege de economische crisis. Bernard van Leer maakte sinds 1925 ijzeren en stalen vaten voor de BPM(Shell) voor vervoer en opslag van asfalt en benzine. Omdat staalbedrijven een kartel vormden kwam hij in de kostenproblemen en moest zijn eigen gewalste dunne plaat maken. Hij bouwde in 1937 een eigen walserij bij Hoogovens in IJmuiden. De Nederlandse kabelfabrieken in Alblasserdam hadden ook een walserij en een Siemens-Martin oven in gebruik genomen. In 1938 kwam de Siemens Marin van de Hoogovens in gebruik, een jaar later gevolgd door een tweede. Pogingen om tot overeenkomst te komen met Van Leer lukte niet. In 1939 werd het besluit genomen een eigen walserij te bouwen. De Staat financierde dit voor een deel door een grotere staatsdeelneming. Walserij West kwam in 1943 gereed en werd meteen gevorderd door de Duitsers en verdween naar de Herman Goering Werke in Salzgitter om pas in 1947 in IJmuiden terug te keren.

Jur Kingma

-T.K.Derry, Tevor I.Williams, Triomftocht van de techniek. Van de oudste tijden tot het jaar 1900. Deel I (Amsterdam,1963) 107-144.

-T.K.Derry, Tevor I.Williams, Triomftocht van de techniek. Van de oudste tijden tot het jaar 1900. Deel II (Amsterdam,1963) 428-463
.
-Joh. De Vries, Hoogovens IJmuiden 1918-1968 (Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staakfabrieken, 1968)